Woordfetisjisme

De onderwijstechnoloog die ik interviewde, raakte niet uitgepraat over innovatieve taakstellingen, interdisciplinaire kennisdragers, stringente onderwijsontwerpmethoden en absolute klemtonen. Zijn zinnen dreunden door de kamer en ik dacht: wat moet ik hier van maken? ‘Nee’, corrigeerde hij zichzelf, ‘schrijf toch maar liever relatieve klemtonen.’ Toen hij later mijn artikel las en zag dat ik stringente had geschrapt en klemtoon zonder bijvoeglijk naamwoord in zijn waarde had gelaten, omdat het woord zelf al krachtig genoeg is, stuurde hij me verbolgen een e-mail vol protesten. ‘Onderwijsontwerpmethode is een worst van een woord en roepen stringente methoden niet meer vragen op dan dat ze beantwoorden?’ mailde ik terug. ‘Ach’, antwoordde hij me,’ik heb filosofie gestudeerd en wij filosofen zijn nu eenmaal woordfetisjisten.’ Lulkoek natuurlijk, want een fetisjist zal nooit om een woord heen praten, maar het zonder omhaal vereren als een voorwerp dat magische krachten bezit. Lees de mooiste speeches uit de geschiedenis er maar op na: elk woord slaat in als een bom, want het heeft een functie met een duidelijk doel voor ogen. Soms zelfs een echte bom.
Onze technoloog met filosofische roots liet woorden stromen en de betekenis ervan moest ik maar raden. Het deed me denken aan Karl Marx, Marcuse en andere vaak vergeten denkers. Als student volgde ik colleges bij een grijze professor die eindeloos uit Marx' Frühschriften en Das Kapital voorlas. Marx had het over consumptie en productie en had hij met talloze woorden en veel bijzinnen eindelijk uitgelegd wat hij bedoelde, dan draaide hij in de volgende alinea doodgemoedereerd de betekenis van die begrippen om. Wij studenten keken elkaar dan wanhopig aan. Of dat al niet genoeg was, presteerde Karl het ook nog om een paragraaf af te sluiten met de mededeling dat hij het onderwerp nu wel afgerond had, maar hij had er geen enkel probleem mee om na een witregel gewoon weer over hetzelfde thema door te filosoferen. Waarschijnlijk was hij na een nachtje slapen 's morgens gewoon met denken doorgegaan en liet hij de structuur van zijn betoog voor wat die was: warrig.
Durf dat tegenwoordig eens. We drukken ons niet zo gecompliceerd meer uit. Langdradige, essayistische betogen belanden in het bedrijfsleven al gauw in de prullenbak. We schrijven kort en bondig en zetten onze ideeën op een A4'tje. Kunt u dat niet, dan volgt u bij mij maar een cursus.
Maar mooi kunnen ze wel zijn, die lange en ingewikkelde zinnen die voortdenderen als een melodie die je in een roes brengt. Ook de onderwijstechnoloog praatte en praatte, alsof de betekenis er kennelijk niet zoveel toe doet. Denkend praten, jezelf voortdurend corrigeren tot de luisteraar er geen bal meer van snapt. Verliefd op het woord, als een voetballer die de bal maar niet kan afspelen en daardoor veel te weinig scoort.
Lelijk is de wijdlopigheid in ambtelijke nota’s. Bij de beleidsboys druipt het geploeter van het blad af. Woorden sluiten nooit naadloos aan bij gedachten, jargon moet dan uitkomst brengen. Als geen ander laten zij zien dat schrijven een ambacht is.
Maar er gloort hoop voor al degenen die graag duidelijk overkomen. ‘De Tekstdokter’ heeft zijn praktijk opengesteld voor al die zwoegers. Auteur Riemer Reinsma schreef een dik pocket van 242 pagina’s met ‘honderden ingrepen om je tekst prettig leesbaar te maken’. Hij weet wel raad met uw probleemzinnen en geeft aan hoe het beter kan. En heeft u de smaak te pakken, koop dan het ‘Handboek Stijl’ van Peter Burger en Jaap de Jong. Zij schrijven bijna 500 bladzijden vol met ‘adviezen voor aantrekkelijk schrijven’.
Maar laat je niet verleiden tot popiejopietaal, zoals Paul Wouters. Hij schreef een boek onder de titel ‘Denkgereedschap, een filosofische onderhoudsbeurt’. Bah, wat ordinair. Ik ben geen auto en of ik een beurt krijg, maak ik zelf wel uit. Mijn onderwijstechnoloog zou van dát taalgebruik gruwen.

terug

volgende