Gilles de la Tourette als twaalfde man

Als eigenaar van een eenmansbedrijf krijg ik regelmatig post gericht aan het hoofd van de afdeling Inkoop of aan de directeur Financiën. Deze post leg ik dan met een grijnsje op het bureau van de betreffende functionaris. Enkele weken terug kreeg mijn hoofd Public Relations een brief van de Businessclub van Vitesse. Of twee medewerkers van Paul Troost, tekstschrijver en opleidingen schriftelijke communicatie een wedstrijd wilden bezoeken. Want de voetbalclub wil de banden met het regionale bedrijfsleven aanhalen. Ons bedrijf koos voor Vitesse – FC Utrecht. Een beladen duel, want Vitesse dreigde te degraderen. Bovendien heeft de tegenstander fanatieke fans, zodat er misschien wel wat te matten zou zijn. Dochter Eva van twaalf ging mee als hoofd Externe Relaties.
‘Bereid je goed voor’, was me door habitués van voetbalwedstrijden verteld. ‘En vergeet vooral niet je beschaving enkele uren op non-actief te zetten. Gooi gerust met bananen, als de tegenpartij een donkere speler heeft opgesteld. Schaam je niet, je bent even een hooligan.’ Dat ging me toch wat te ver. Wel heb ik dagen van tevoren in mijn tuin geoefend om plotseling ‘hondenlul’ te roepen. Mijn buurvrouw kwam bezorgd vragen of ik misschien aan die ziekte lijdt waarbij je plotseling en ongewild een luide kreet uitslaat. ‘U bedoelt de ziekte van Gilles de la Tourette, buurvrouw? Gelukkig niet, ik leer voor voetbalsupporter.’
Op weg naar het Gelredome zag ik nogal wat auto’s met vier mannen erin: mijn collega-supporters. Ik hoor nu eindelijk ergens bij, constateerde ik geëmotioneerd.
We waren veel te vroeg, want ons bedrijf zou vooraf door de Businessclub officieel met een praatje en een drankje ontvangen worden. Op weg naar onze loge groette ons een donkere man. Die had ik weleens op tv gezien: het was de aalvlugge, veelvuldig scorende Afrikaanse midvoor van Vitesse. Vriendelijke man, ik was blij dat ik de bananen thuis had gelaten. Zo ver van huis om ons verwende westerlingen te amuseren.
‘Kom op Eva’, vermande ik me, ‘we gaan ons ding doen.’ Dat had ik niet moeten zeggen. Onmiddellijk greep een kaalgeschoren patjepeeër met een oortje me bij de arm. ‘Wat voor ding gaan we doen, zijn we soms van Al Quaida?’ wilde de man van de bewaking weten. ‘Oh niets’, antwoordde ik zo luchtig mogelijk, ‘ik druk me gewoon in hedendaagse taal uit. Zo praat tegenwoordig iedereen. I do my thing.’ Een langgerekt okéej was zijn reactie. Zijn taalgebruik gaat ook met de tijd mee, dacht ik opgelucht.
Op de eretribune voelde ik me al bijna één met de bal. ‘Luister, Eva, het spelletje is eenvoudig. Als wij er meer in schoppen dan de tegenstander en die van Utrecht maken geen doelpunten, dan hebben we een goede kans om te winnen.’ Mijn dochter keek me verbijsterd aan. Het was duidelijk: de geest van Johan Cruijff was over me gekomen.
Plots begon iedereen tegelijk ‘boe’ te schreeuwen. Zou de patiëntenvereniging van lijders aan Gilles de la Tourette ook uitgenodigd zijn? Of lijden supporters collectief aan dat syndroom? ‘Kijk uit je ogen scheids’, klonk het links en rechts van ons. Buitenspel meenden mensen stellig. Verwarring alom, wilde gebaren, als supportersogen konden doden. ‘Je ziet het pas, als je het doorhebt, Eva.‘ Weer deed ik een beroep op de grote Cruijff, zoals ex-minister Pieter Winsemius hem vol bewondering noemt: ‘Als ik zou willen dat je het zou begrijpen, dan had ik het wel beter uitgelegd, Eef.’
Wij waren die zondag de besten. Maar wat kunnen negentig minuten lang duren. Speelden ze de bal minutenlang rond, dan dacht ik soms: had ik maar een boek meegenomen.

terug

volgende