Ik was een grote (in het diepst van mijn gedachten)

Een afdaling van Eddy Merckx is misschien wel het meest spectaculaire wat ik ooit op tv heb gezien. Het legendarische fenomeen was in de nadagen van zijn wielercarrière en moest in een zware bergetappe Bernard Thevenet voor zich dulden. Merkx pikte die tweede plaats niet en ging soepel op een zwaar verzet achter de Fransman aan. De cameraman achter op de motor filmde zijn afdaling.
Wie weleens in de bergen gefietst heeft, weet dat dalen een vak apart is. Je valt met een snelheid van zeventig tot tachtig kilometer per uur als een steen naar beneden. Een sensatie is het om in een flauwe bocht een motor met een noodgang te passeren. Nog mooier is het om een auto in te halen. Want zo’n vierwielig gevaarte is te lomp voor het snelle bochtenwerk. Nooit zal ik de vier mensen vergeten die mij met grote ogen aankeken, toen ik hun auto als een bovenaards wezen voorbij suisde. Enkelen hadden het riempje boven hun portier angstig vast en staarden doodsbenauwd om zich heen, bang als ze waren om met blik en al in het ravijn te storten.
Aan die bochten dacht ik, toen ik Eddy Merckx zag dalen. Om de motor met cameraman te ontwijken, corrigeerde hij zijn met zorg uitkozen baan door de bocht. De motor had het nakijken en ik zat in aanbidding voor de buis te kijken hoe Eddy uit het beeld verdween. Merckx slaagde er niet in om zijn rivaal in te halen. Thevenet won de etappe en de tour. Later bleek dat hij geslikt had.
Ook ik was een groot renner, in het diepst van mijn gedachten. Ik herinner me nog de ronde van Wijchen, de enige wedstrijd die ik reed, en die ik gemakkelijk had kunnen winnen, ware het niet dat alles tegenzat.
Ik was in bloedvorm, want ik had enkele jaren door de wereld gefietst op zoek naar de zin van het bestaan. Maar daar gaat het nu niet over. Ik was die zondag gewoon goed na al die duizenden kilometers. Om me in te rijden fietste ik ’s morgens ongeveer zeventig kilometer door de stromende regen. In mijn verbeelding stond ik al op het podium de applaudisserende meute minzaam toe te knikken. Een nieuwe held was geboren.
Maar vóór ik één meter gefietst had, werd ik op de hardheid van het métier gewezen. Terwijl allerlei jonge renners bij de start in opperste concentratie voor zich uit staarden en hun vaders de banden op spanning brachten, probeerde ik zenuwachtig mijn rugnummer met enkele veiligheidsspelden op mijn versleten t-shirt vast te spelden. Een vriendelijke oude man hielp me daarbij.
Toen stond ik aan de start, misschien wel het begin van een heel nieuw leven. Was de schaker en auteur Tim Krabbé ook niet als vroege dertiger met een tot de verbeelding sprekende wielercarrière begonnen?
‘Nummer 37, Paul Troost’, sprak de koersdirecteur. Ik stak mijn hand op. ‘Sorry meneer, maar u moet een helm dragen. Anders mag u niet starten.’ Gehaast klampte ik een renner aan die na de seniorenwedstrijd tevreden een boterham zat te eten. Of ik zijn helm mocht lenen. Gehaast gespte ik een ouderwets bruin helmpje vast. ‘Die heeft nog nooit een koers gereden’, hoorde ik een wedstrijdcommissaris zeggen. Door mij was de start enkele minuten vertraagd. Masseurs probeerden intussen met massageolie hun pupillen in vorm te houden. Had ik ook maar een soigneur die met een halve apotheek op zak mij naar een zekere overwinning zou loodsen.
Daar was de knal van het pistool. We vlogen weg. Ik kon goed volgen, maar met mijn ervaring in de bergen kneep ik hem een beetje in de spekgladde natte bochten. Uit voorzorg waren de bomen met dikke strobalen ingepakt. De eerste bocht nam ik voorzichtig, maar met veel macht in de benen sprintte ik gemakkelijk naar de kopgroep toe. Zo ging dat enkele ronden, tot ik op het glibberige wegdek kwakte. Toeschouwers moedigden me aan. Doorrijden, flitste het door mijn hoofd, anders word je wegens achterstand tussentijds uit de koers genomen. Om die schande te voorkomen nam ik na enkele kilometers het heft in handen. Ik stapte van mijn fiets, pakte razendsnel het ventiel van mijn achterband en liet de tube leeg lopen. Daarna keek ik om me heen met een uitdrukking op mijn gezicht van ‘dat zoiets mij weer moet overkomen’.
De wedstrijdcommissaris riep om dat nummer 37, Paul Troost de wedstrijd door materiaalpech had moeten staken. Hij dacht nog leuk te zijn met iets in de trant van een ‘schrale troost’. Toen was mijn wielercarrière voorbij. Ik leende een fietspomp en reed door de stromende regen naar huis. In een sprintje liet ik mijn denkbeeldige tegenstanders ver achter me.
De dag daarop kocht ik ‘De renner’ van generatiegenoot Tim Krabbé. Ik besefte dat boeken over wielrennerij beter bij me passen.

terug

volgende