Schrijven kan hij ook al niet

Zo’n twee decennia geleden, toen ik nog niet in zo’n tot buitenwijk verworden dorp woonde waar je voor honderd procent zeker weet dat je gevrijwaard bent tegen een aanslag door Al Quaida, want de priemende vinger van Bin Laden zal overal op de wereldbol een interessantere plek kunnen aanwijzen dan een steenwoestijn met coniferen en prefab houten tuinschuurtjes, woonde ik zonder vaste baan en soms zonder vaste verblijfplaats in een stad in het oosten des lands. De kost verdiende ik onder andere door te schrijven voor de lokale uitkrant. Nou, de kost verdienen, ik werd betaald in vrijkaartjes voor de schouwburg, de bioscoop of een concert. Heel romantisch, vooral jaren later bij de borrel. Elke donderdag ging ik voor de krant naar het Filmhuis naar de voorpremière van een nieuwe film. De film werd dan ’s morgens speciaal gedraaid voor Jan Bik, de recensent van de Gelderlander, en mij.
Daar zaten we dan, Jan Bik en ik, vaak rillend in onze winterjas. Het Filmhuis was namelijk allesbehalve een florerende business en daarom vond de exploitant het niet nodig voor twee mensen de verwarming wat hoger te zetten. Over een film waarin de zangeres Madonna haar eerste rol speelde, schreef Bik ‘acteren kan ze ook niet’.
Aan die zin dacht ik toen ik de eerste vijftig pagina’s van de autobiografie Kronieken van Bob Dylan had gelezen: schrijven kan hij ook al niet. Horen mijn dochters de krakende, onvaste stem van deze coryfee uit de jaren zeventig, dan beginnen ze te joelen zo afschuwelijk vinden ze zijn gezang. Achteraf begrijp ik ook niet wat ik mooi aan zijn liedjes vond, maar ik rookte heel wat af bij zijn minuten durend, dikwijls monotone gekweel.
In Kronieken beschrijft hij hoe het allemaal gekomen is, in wat voor milieu hij leefde en wie zijn muzikale voorbeelden zijn. En daar begint het al. Regelmatig komt hij met een ellenlange opsomming van onbekende folkzangers, die de toch al erbarmelijke stijl waarin hij schrijft, nog saaier maakt. Ook vindt hij het nodig te laten merken dat hij op zijn tijd een boek las. Hij doet dat in een kinderlijke stijl en rijgt onsamenhangende stukken tekst aan elkaar. ‘Ook las ik het boek van Clausewitz, Vom Kriege.’ Vervolgens vertelt hij ons analfabeten in het kort de inhoud van het boek. Wat de functie is van Vom Kriege en andere werken uit de wereldliteratuur in de context van zijn verhaal of de invloed ervan op zijn leven als zanger moeten we maar raden. Gelukkig voor Dylan wist hij, zo vertelt hij ons regelmatig, dat hij op de goede weg was. Hij zou er wel komen. En gelijk heeft hij gekregen.
Na zo’n vijftig pagina’s wordt het boek iets beter. Vooral als hij zich afzet tegen zijn fans, iets waarover de mondiale pers al geschokt heeft geschreven. Ik ben niet de Messias van mijn tijd, schrijft Bob met de nodige zelfkennis.
Kronieken heb ik niet uitgelezen. Meestal koop ik boeken waarvan ik vermoed dat ze eeuwigheidswaarde hebben en blader in de winkel boeken met anekdotes over verhuizen of het wel en wee van Hillary Clinton alleen maar door. Mijn geld gaat naar de wereldliteratuur, naar auteurs die wat te vertellen hebben.
Enkele weken geleden maakte ik een uitzondering. Ik twijfelde tussen W.F. Hermans en Bob Dylan en de laatste werd het. Een blunder. Een boek met literaire pretenties nodigt de lezer uit het vaker ter hand te nemen, want het zet aan tot denken. Je kijkt dan op van het boek, laat de tekst de tekst en gaat over tot filosoferen, daartoe uitgenodigd door de gedachten van de schrijver. Bij Bob Dylan deed ik dat niet, erger nog, ik sloeg pagina’s over. Dylan was een goed tekstdichter en daarbij had hij het moeten houden.

terug

volgende