Dat uniform past ons maar al te goed

Sinds de jaren tachtig hoor ik het woord steeds frequenter: professioneel. De laatste tijd zelfs in toenemende mate in combinatie met gedrag. Eerst had je professionals als artsen en advocaten, van wie deskundigheid en beroepscode al vele jaren buiten kijf stonden. Zo snijdt een chirurg volgens een beproefde methode een blindedarm uit een lichaam en haalt de huisarts het niet in zijn hoofd om het in werktijd met een patiŽnt aan te leggen.
Het kon niet uitblijven. Uit angst om niet serieus genomen te worden gingen ook andere beroepsgroepen op zoek naar een surrogaat voor stethoscoop en toga. Soms liep dat helemaal mis gezien de treurige vertoning van welzijnswerkers die dachten dat nonchalante kledij en geitenwollen sokken overtuigende symbolen van macht en waardigheid zouden zijn. We kennen hun treurige lot.
Anderen hadden meer succes en kwamen na jaren van studie tot een beroepsprofiel waaraan ieder lid moet voldoen. Want in ons bureaucratisch landje moet elke menselijke uiting, ook de beroepsmatige, aan regels onderhevig zijn. Gedraag je, anders ben je niet professioneel genoeg.
Jan Blokker schreef in de jaren zeventig de column Ben ik wel links genoeg? Hij bespotte daarin de modieuze elite. Demonstreerde Jan Wolkers tegen de oorlog in Vietnam, dan kon je er vergif op innemen dat Harry Mulisch zou volgen. Wilde je er toen bij horen, dan had je geen andere keuze. Duizenden kilometers verderop, in China, maakte men het in die tijd nog bonter door massaal in een soort pyjama en met een uniforme pet op het hoofd in groepsverband met een rood boekje te zwaaien. Wil je bij ons vandaag de dag niet voor beunhaas uitgemaakt worden, dan is het zaak professioneel te zijn.
Dat ben je al gauw, want het begrip is zijn glans verloren. In het alledaagse spraakgebruik heeft het meestal niets meer met een professie te maken. De timmerman, de vakman die professioneel een deur ophangt, is zelfs bijna letterlijk verdwenen. Zijn plaats is ingenomen door de voetballer die een tegenstander professioneel onder de graszoden schopt. Een arts zal je zelfs raar aankijken als je zou vragen of hij een professional is.
Professioneel is een woord dat ondanks zijn populariteit in zijn nadagen verkeert. Wat eerst te maken had met de traditie van een eerbiedwaardig beroep, is door overvloedig gebruik verwaterd.
Neem een vergadering. Die is strak georganiseerd, volgens regels en procedures. Emoties worden als niet-professioneel afgedaan. De vergaderaars converseren beheerst, gekleed in een onpersoonlijke en allesbehalve uitdagende outfit en met een plechtig gezicht alsof ze in de kerk zitten. ĎIs er nog koffie?í is een van de weinige niet ter zake doende opmerkingen die het vergaderregiem tolereert. Onderzoek heeft meermalen uitgewezen dat een erectie of het vrouwelijke pendant ervan nauwelijks tot nooit tijdens zoín groepsbespreking voorkomt. Jammer voor de vergadertijgers: ze beoefenen absoluut geen professie, maar spelen een rol met normen en gedragsregels.
Professioneel gedrag is een containerbegrip. Het uniformeert mensen, je weet waar je aan toe bent, de verbeelding is ver weg. En dat willen we. Tot het volgende uniform zich aanbiedt.


terug

volgende