De columnist is gek (en vooral naïef)

‘Hij begreep niet, waarom hij af en toe op straat een klap op zijn gezicht kreeg.’ Deze woorden van mijn leraar Nederlands zijn me altijd bijgebleven. Het ging om de auteur Conrad Busken Huet (1826-1886), een Leids student en later dominee in Haarlem, die het, blijkens de agressie die regelmatig hij ontmoette, in woord en geschrift niet altijd goed met de medemens voorhad. Direct na de schooldag spoedde ik mij naar de boekhandel om daar de door Garmt Stuiveling samengestelde bloemlezing met polemische artikelen van Busken Huet Vernuft ontzondigt à één gulden vijfentwintig te kopen. Een carrière als beroepsdwarsligger leek me wel wat en daarbij zou me enige basiskennis goed van pas kunnen komen.
De eerste zin van het voorwoord van Stuiveling overtuigde me dat ik een diepte-investering had gedaan. 'Geen der andere negentiende-eeuwers, ook Multatuli niet, heeft Huet overtroffen in het talent zich vijanden te maken.’ Busken Huet werkte in de redactie van De Gids onder anderen met Potgieter. Die samenwerking liep fout, want vakman als hij was, corrigeerde hij de ‘striemende commentaren’ van zijn hooggeleerde collega’s naar eigen smaak. Ook taalfouten moesten het ontgelden en dat is vragen om ruzie. Hij werd op zijn wenken bediend.
Toch was Conrad Busken Huet geen pathologisch ruziezoeker. Stuiveling gaat nog wel even op de psychologische toer om er achter te komen waarom Huet zo vaak in de contramine was en of hij misschien een ongelukkige jeugd had gehad, maar concludeert al gauw dat Huet gewoon een kritische intellectueel en een naarstig waarheidszoeker was. Hij hield van stijl en hartstocht en bovenal van eerlijkheid. Krompraat accepteerde hij niet. Hij was zuiver in de rede en benaderde een probleem relativerend en vanuit diverse invalshoeken. Tot grote verontwaardiging van onder meer de gegoede liberale burgerij die onomwonden te horen kreeg dat ze lafhartig haar rebelse ideeën van weleer vaarwel had gezegd, en de rekkelijken en preciezen van de protestantse kerk die respectievelijk van hypocrisie en van dogmatisme beschuldigd werden. Ook waagde hij het om het hof te bekritiseren, wat in die tijd al helemaal niet behoorlijk was, De stijl waarin hij zijn kritiek verwoordde, trof zijn tegenstanders recht in het hart. Dat verwonderde Huet, want zei hij niet alleen maar waar het op stond? En als ikzelf tegen een stootje kan, waarom een ander dan niet? Conrad Busken Huet was een columnist in hart en nieren die, om de woorden van Gerrit Komrij te gebruiken, een schrijftrant had als ‘Met het bloed dat drukinkt heet’.
De naam en de aanleiding van mijn column zijn genoemd, Gerrit Komrij. Hij publiceerde deze maand Eendagsvliegen, een bundel vol dagboeknotities, ingevingen en aforismen, met andere woorden, we nemen een kijkje in de keuken van de grote man zelf. Komrij schreef enkele romans en diverse dichtbundels en is al jaren veelgelezen columnist van de NRC. Hij is een waardige nazaat van Huet. Want wee de dogmatici, intoleranten, matige poëten, kruipers en konkelaars: spot en hoon zijn hun deel. Bleef Huet nog in Nederland wonen, Komrij woont al jaren in Portugal, vanwaar hij ons land met zijn kritische en humoristische beschouwingen teistert. Toch kon hij als dichter des vaderlands zijn gelegenheidsgedichten in het openbaar voordragen zonder dat de rotte eieren hem om de oren vlogen. Een nar mag dus kennelijk nog steeds met zijn zotskolf aan de bel trekken.
Wat voor lering heb ik uit mijn aankoop van weleer getrokken?
Een bloedneus heb ik als columnist nooit opgelopen, wel een verontwaardigde reactie in de krant. Jaren geleden schreef ik naar aanleiding van geblèr voor mijn huis in Wijchen een stukje voor Onze Taal. Bij het afscheid-nemen riepen de gasten van mijn overburen vele malen de toen populaire afscheidsgroet ‘Hou je’. Ze zweepten elkaar op en de hou-jes bleven minutenlang door de straat galmen. Mijn walging van hun verloederde taalgebruik, platvloerse luidruchtigheid en gebrek aan beschaving nam forse proporties aan. Waar was ik in godsnaam gaan wonen? Mijn woede ventileerde ik in Onze Taal. Tot mijn verbazing verscheen enkele weken later in het plaatselijke suffertje een ingezonden brief waarin een Wijchenaar van zijn verontwaardiging blijk gaf. Wij zijn geen boeren, beweerde hij. Hoe kon ik weten dat zelfs in Wijchen Onze Taal gelezen werd?
Bij die ingezonden brief is toen het gebleven, want ik heb geen woedende meute met dorsvlegels en pek en veren voor de deur aangetroffen. Hád die er wel gestaan, dan had ik, naïef als Conrad Busken Huet, hun intentie misschien ook wel niet begrepen.


terug

volgende