De charme van anders

Mij werd gevraagd om in het kader van Nijmegen 2000 een stukje over het Nederlands kampioenschap turnen voor vrouwen te schrijven (zie vorige column Beheersing). Want Nijmegen gaat het boek Alle dagen feest over alle stedelijke evenementen in het historische jaar 2005 uitbrengen. Liever had ik iets geschreven over een groepje geestelijk minder ontwikkelde mannen dat ik vanuit mijn toenmalige Nijmeegse flat traag en luidruchtig door de doodse straat zag trekken. Een fraai gezelschap, misplaatst in de grijze buitenwijk.

Zonder veel orde slenterden deze mannen van wie de leeftijd moeilijk te raden was, over de stoep. Af en toe duwden ze elkaar, wezen naar iets wat ze opviel en lachten. Soms deelden iemand een speelse klap uit waarop het slachtoffer zich pruilend bij een begeleider beklaagde. Die maande de wildeman het wat rustiger aan te doen en vroeg het slachtoffer de wond aan te wijzen, wreef eens een paar keer over de zere plek en sprak enkele woorden die ik vanachter het raam drie hoog niet kon verstaan. ‘Het valt wel mee, joh’, heeft hij vast en zeker gezegd. Langzaam verdween het ordeloze groepje tussen de flatgebouwen. Het leven was weer uit de wijk.

Enkele dagen later zag ik het gezelschap in een Nijmeegs koffiecafé. Ook toen trof me het engelengeduld van de groepsleiders dat voortdurend op de proef werd gesteld door het ongecontroleerde gedrag van hun pupillen. Ze plukten aan elkaar, toeterden in elkaars oren of trokken aan de haren van hun buurman. Eén staarde, zijn kin steunend op zijn tot vuisten gebalde handen, in diep gepeins eindeloos in de verte. Een begeleider probeerde contact te krijgen, maar de denker wees hem knorrig af. Een andere groepsleider was druk in de weer met het dweilen van de gemorste koffieverkeerd. De cafébaas zag het glimlachend aan, want hij had, altijd stoned, de mainstream van de samenleving al lang verlaten. De waarde van het buitenissige was aan hem besteed.

De mongoloïde mannen die mij zo charmeerden, denken er niet aan zich aan de grote wereld aan te passen; ze hebben er ook de capaciteiten niet voor. Anders is dat bij de lilliputters over wie Arthur Japin in het boekenweekgeschenk 2006 De grote wereld vertelt. Deze koddige types, die gewend zijn met gelach en hoon geconfronteerd te worden, kunnen in Japins boek slechts met moeite bij de groten aanklampen. Ze leven in een lilliputtergemeenschap en verdienen de kost in het circus of in een rondtrekkend amusementsgezelschap waarvan er in de jaren dertig vooral in Duitsland nogal wat waren.

Japin beschrijft de schijnbaar rustige wereld in zo’n gemeenschap, Märchenstadt Lilliput. Hij kruipt in de huid van de kleine mensen en beschrijft hun twijfels in een land waarin in die tijd groot en blond de mode waren en waar men weinig oog had voor de charme van alles wat uit de toon valt. Of de lilliputters willen of niet, hun anders-zijn dwingt ze tot overpeinzingen over het waarom van hun lot. En heeft een lilliputter er eindelijk vrede mee dat hij altijd pijn in de nek zal hebben door het omhoog kijken en denkt hij zijn draai gevonden te hebben met mallotig gedrag in de vermaakindustrie, dan confronteert de wrede werkelijkheid hem wel weer met wie hij werkelijk is.

Maar, laat Japin een van zijn fysiek nooit volgroeide helden zeggen die als couturier als geen ander gewend is om iemand de maat te nemen, zit het leven je te ruim, zodat je erin zou kunnen verdwalen, torn dan niet aan jezelf, maar snij dan het leven op maat. Het groepje dat ik in Nijmegen bewonderde, vecht zich zo al jaren door het bestaan.




terug

volgende