Hoezo Café?

Waartoe dient het café? Vraag mij dat. Halverwege de jaren zeventig onderzocht ik sociologisch de horeca in Apeldoorn.
Apeldoorn, Gods eigen Bijbelvaste troetelkind, in de mist geboren en getogen, de schaarse blauwe lucht fanatiek met oude kranten dicht geplakt. Plaats waar de bloemen al in de kiem verdorren, waar de netjes gewassen en gestreken maar tóch altijd fletse vitrages het kleurloze karakter van de goegemeente weerspiegelen. Zeven dorpen aaneengesmeed door een kale winkelpromenade vol reclameborden en hier en daar een lunchroom vol schuldbewuste lieden die de erfzonde nog steeds niet kunnen vergeten. In de zijstraten van dat voetgangersdomein speelde zich het grote leven af: cafés zonder veel aanloop, alleen de Chinese bordelaise is uniek.

Na mijn gefilosofeer over het maatschappelijke nut van de kroeg en hoe dit empirisch te bewijzen verliet ik om vijf uur 's middags mijn calvinistische collega's in het gemeentelijke Stadskantoor. Ik spoedde mij naar mijn stamkroeg, het vroegere café De Mug, later opgeblazen tot De Olifant. 'Participerende observatie', lachten mijn vrienden. Droefheid, wist ik beter.

Mijn verblijf in Apeldoorn was geen succes. Vragen over de zin van het bestaan, vooral in Apeldoorn, suisden door mijn hoofd en de keurige ambtenaren, die gezien hun uitspraken zich nooit over iets verwonderden, lachten maar wat om die stagiaire en zijn twijfels over dat onzinnige caféonderzoek. Mijn eenzaamheid probeerde ik te onderdrukken met veel drank.

Ik zie mij nog zitten in De Olifant, zo'n nieuw bruin café met op de horecavakbeurs aangeprezen intimiteit, wit zand op de vloer, gedempt licht uit matglazen Jugendstil lampjes boven de glanzend gelakte bar, olijven in antieke stopflessen waarvan de plastic sluiting verraadt, dat ze gloednieuw zijn en - hoe verzinnen ze het - gebobbeld oorlogsglas in de vensters. Elk weekend verdrongen zich honderden jongeren bij gebrek aan beter voor de deur van dit nepcafé, want dáár gebeurde het.

Na kantoortijd was ik de enige klant. Apeldoorn mag dan wel een nieuwbouwwijk hebben die De Maten heet, van maten moet je het in Apeldoorn beslist niet hebben. In De Olifant zat ik alleen achter een pils, de muziek werd speciaal voor mij als eerste bezoeker aangezet en de barman verdween onder excuus naar de kelder om daar de rommel op te ruimen.

Ik voelde mij als die man op de hoes van de elpee 'In through the outdoor' van Led Zeppelin. In een smetteloos wit kostuum en modieuze, crèmekleurige puntschoenen hangt een verlopen man met zijn hoed op zijn achterhoofd tegen de bar en steekt uit pure verveling of balorigheid een stuk papier in brand. De louche, vlezige man achter de bar houdt zijn laatste bezoeker wantrouwend in de gaten, terwijl hij de glazen afdroogt. Tegen de jukebox leunt verveeld een hoertje die op haar laatste klant wacht: de man aan de bar, hoopt ze.
Helaas, in De Olifant moest ik het zonder getatoeëerde barman, snel tropenpak en strooien hoed, en zeker zonder prostituee stellen. In Apeldoorn maakt men korte metten met romantiek, zelfs ongelukkig zijn is er niet leuk.

Waartoe dient het café? Om contacten te leggen, leerde mij de literatuur die ik voor mijn stage doornam. Zal wel. Het café dient vooral om helemaal alleen met een pilsje in de hand voor je uit te staren en te overdenken hoe het leven zou moeten zijn.


Verscheen eind jaren tachtig in Margreet Dolman’s Mens & gevoelens. Apeldoorners anno nu zullen weinig herkennen van het beeld dat ik van de stad schets, want zelfs in Apeldoorn is uitgaan tegenwoordig heel gewoon, heb ik gehoord. Toch blijft het zaak de stad te mijden.