Nader tot U

Gerard Reve lees ik al lang niet meer, maar ik moest aan hem denken op een verjaardag van een alcoholistische kennis. De man had ‘s middag kortstondig in het ziekenhuis gelegen in verband met een aanval van vallende ziekte. Zijn overmatige alcoholgebruik was daar debet aan, was hem daar verteld. ’s Avonds, wij zaten al in zijn appartement op het feestvarken te wachten, kwam hij wat bleekjes en wankel ter been binnen, daarbij gesteund door zijn vriendin, die hem ook wel lustte, en liet zich ondanks zijn weinig hoopvolle toekomst nog vele jaren wensen. Voorzichtig nam hij zijn eerste slokje bier. Want op je verjaardagfeest drink je, vallende ziekte of niet.
In Nader tot U komt een passage voor waarin de oude, verzopen, door Reve ‘dichtervorst’ genoemde Gerard den B. zich tijdens een reis naar Greonterp totaal bedrinkt. ‘De literkruik drank, die caféhouder E. bovendien voor onderweg had meegegeven, was in de bus naar Bolsward al leeggeraakt en, onder luid gebrul en gejuich, met hoofd uit het portier, uit de Bolwarder taxi de nacht ingeslingerd.’ Na een dag of vijf is de poëet weer enigszins bij zinnen, schrijft Reve. ‘De dichtervorst zelf zat in zijn, nu dicht aan het raam geschoven stoel onbezorgd te babbelen, met vlak naast zich, op de vensterbank, alle geopend, een fles brandewijn, een fles koetsier en een licht groene fles van dat afschuwelijke, vierkante, naar onderen smaller toelopende model, waarin jonge jenever zat, waar ik niet erg gek op ben, al is het natuurlijk beter dan niks.’
Toen ik eind jaren zestig Nader tot U kocht, maakte deze passage, net als het gehele boek, mij bijzonder vrolijk en ik besloot ogenblikkelijk ook zo te worden. Het is er nooit van gekomen, maar mijn alcoholistische kennis was meer een doorzetter, wat hij bekroonde met deliria, schulden en een uithuiszetting. Hij heeft wel altijd veel ruimte om zich heen, want de medemens heeft een goede neus voor alles wat maar een vleugje dreiging heeft.
Reve heb ik pas weer opgeslagen, toen ik dit stukje ging schrijven en de anekdote wilde opzoeken. Voordat ik het wist, zat ik weer uren van Nader tot U te genieten. Reve gebruikt een bloemrijke taal en ingewikkelde zinsconstructies die je, slechts enkele decennia na publicatie van het boek, nog zelden tegenkomt. En Reves wereldbeeld, althans in Nader tot U, spreekt me nog steeds aan.
Veel verder dan dit boek ben ik niet in Reves oeuvre gekomen. De Avonden heb ik als scholier verplicht gelezen. Het goede aan het boek vond ik dat het de verveling zo goed weergeeft dat ik me bij het lezen kapot verveelde. Zijn latere werk, gedoe met circusjongens en andere ‘meedogenloze’ knapen, kon ik niet doorkomen. Libelle-lectuur. De later uitgegeven brievenboeken zijn me ontgaan.
Maar zijn taal en woordkeus blijven staan als een huis. In Het is niet onopgemerkt gebleven geven Ton den Boon en Chrétien Breukers honderden oneliners en aforismen van de ‘volksschrijver’. Ze schetsen met hun boekje bovendien een mooi beeld van de thematiek waarmee Reve zich bezighield.
Om bij het thema te blijven, een gedicht van Gerard Reve:

Alles is op, zelfs de drank waar ik niet eens van houd.
Maar alles heeft zijn voor en tegen.
Zodoende zit ik wel vol moed:
Al hebt Gij mij verworpen en verstoken van Uw Licht,
Ik ga gewoon door, of er niks aan de hand is.



terug

volgende