Man, zorg en werk

Op het Emancipatiebureau vonden ze me een toffe peer. Ze kenden me in dat gesubsidieerde bolwerk van feminiene maatschappelijke verheffing, omdat ik er regelmatig binnenstapte om mijn redactiewerk in te leveren. Ik droeg dan meestal een baby op de arm en dat sloeg aan. Ik leek zo iemand die werk en zorg combineert, en zijn vrouw de kans geeft een loopbaan uit te stippelen in het felbegeerde walhalla van vergaderen, netwerken bij de koffieautomaat en files in het spitsuur. Een aardige man, zag je ze denken, een dappere kompaan bij het oprollen van de traditionele man-vrouwverhouding, in die kringen gewoonlijk aangeduid met ‘rolpatroon’. Mijn gedrag had me kennelijk zo populair gemaakt dat ik op zekere dag een uitnodiging kreeg voor een discussieavond in het Deventer stadhuis over de kwestie man, zorg & werk.

Die discussiebijeenkomst leek me wel wat. Ik ben gek op wereldverbeteraars, vooral als ze zich ontpoppen als massamoordenaars (zie de geschiedenisboeken). De voorzitter van de avond was bovendien een man van adel, te weten jonkheer James van Lith de Jeude, burgemeester van Deventer, een sociaaldemocraat met blauw bloed die het kennelijk in een recalcitrante bui rood voor de ogen was geworden.

Dat het de avond van het debat bijzonder mistig was, zie ik als toeval en strookte ook niet met de vastberaden houding van enkele oudere dames die ik direct associeerde met manhaftige CPN-types uit de jaren vijftig. Als het nodig was, zouden ze ons mannen ongetwijfeld te vuur en te zwaard bevechten, eerst met verbaal geweld, zo nodig met gescheld en als het werkelijk moest met hun vlijmscherpe nagels. Ook waren er enkele mannen van in de dertig die, gezien hun slordige kledij, duidelijk niet de moeite genomen hadden zich voor die avond op te tutten. Ongetwijfeld zogenoemde huismannen die direct na het naar bed brengen van de kinderen zich haastig naar het stadhuis hadden gespoed. De sloofjes.

Mijn observatie bleek juist, want de jonker had de ongeveer dertig personen nog niet verwelkomd of een van de heren merkte op dat hij er veel plezier in schepte om de stoelen thuis eens lekker in de boenwas te zetten. De jonge medewerksters van het Emancipatiebureau wisten niet wat ze hoorden, want hadden ze van hun moeders uit de tweede feministische golf niet indringend te horen gekregen dat huishoudelijk werk slavenarbeid was? Ook de jonkheer biechtte met een geamuseerde glimlach op dat hij wel eens de handdoeken en hemden streek, maar dat hij dan het gedane strijkgoed liet liggen, zodat zijn vrouw het kon opbergen die dan het idee had dat zij alles in huis regelde. ‘Ik vind huishoudelijk werk gewoon leuk’, erkende een andere man. ‘Dat is je geraden ook,’ trachtte een van de oudere vrouwen met een verbeten trek om haar mond het gesprek in een ideologische richting te sturen.

Maar zover kwam het vooralsnog niet. Ideologisch bevlogen types zijn meestal niet bepaald de meest genuanceerde figuren, wat te begrijpen is, want het ideaal kan alleen maar met oogkleppen op recht door zee bereikt worden, waarbij meestal niet op een lijk meer of minder gekeken wordt. Wilde ik voorkomen dat de volgende dag al onder leiding van met zwepen bewapende vrouwen de trotse masculiene klasse met hun nagels de hardnekkig vastgekleefde kauwgom van het Deventer marktplein zou staan te krabben, dan moest er die avond nog ingegrepen worden. Van mijn medemannen die avond moest ik het zeker niet hebben: die waren al lang in de val gelopen waaruit vrouwen juist wilden ontsnappen. Ik besloot tot een gemene stelling. ‘Vrouwen accepteren mannen bij de zorg van kinderen meestal niet. Niet zo gek, want waarom zou je je macht in huis opgeven? Als mannen voor vrouwen dezelfde barrières hadden opgeworpen om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen, dan stonden jullie nog steeds in de keuken.’

Er viel een korte stilte, waarna enig gemor ontstond; ik werd nog net niet voor fascist uitgemaakt. Bestuurder pur sang Van Lith de Jeude zag het gevaar en leidde het gesprek geroutineerd uit de gevarenzone waarna zowel de relativisten als de ideologen ongestoord hun zegje konden doen.

Door dat gepolder van de edele heer werd de avond er natuurlijk niet leuker op. Ook niet omdat dit soort gezelschappen er niet van houdt om met een borrel achteraf de controverses weg te spoelen. De animositeit beperkte zich tot enkele minachtende blikken naar mij, omdat ik het gewaagd had hun j’accuse te voorkomen en hun heilige strijd te relativeren.

Van Lith de Jeude sloot de avond op het afgesproken tijdstip af, waarna een ieder snel naar huis ging. Ook de burgemeester, want thuis wachtte hem ongetwijfeld de vuile vaat.

meer columns ...

volgende