Allemachtig, praalhans is tachtig

Bij Propria Cures hebben ze de pik op Harry Mulisch. Al meer dan een halve eeuw richten redacteuren van dit Amsterdamse studentenblad regelmatig hun giftige pijlen op het fenomeen dat schrijven en borstklopperij als geen ander weet te combineren. Omdat Harry tachtig is geworden, heeft het blad de bloemlezing uit 1987 Bestrijd het leed dat Mulisch heet opnieuw uitgegeven, nu aangevuld met columns van de jongste generatie redacteuren die ook een forse aversie heeft tegen wat Propria Cures omschrijft als ‘humbug gebracht als genialiteit’, ‘karakterloze kletsmeierijen’ en ‘humorloze zelfoverschatting’.

Harry Mulisch kent twee typen criticasters: adepten die niet ophouden hem te vergoddelijken – een recensent in de USA noemde hem naar aanleiding van De ontdekking van de hemel de nieuwe Homerus - en mensen die hem met zijn onnavolgbare quasi-filosofische geleuter een windbuil en een bedrieger vinden. De eerste categorie hoopt dat hij de Nobelprijs voor literatuur krijgt, de tweede hoopt dat ook, maar, om met auteur Tim Krabbé te spreken, omdat hij het dan zo druk met allerlei feestelijkheden heeft dat hij nooit meer aan schrijven zal toekomen.

Mulisch is een wonderlijke man. Zijn vader werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog bij Lippmann Rosenthal & Co, de bank die zich erop toelegde bezittingen van joden te confisqueren, en hij was getrouwd met een joodse. Voor Harry was dit bijzondere huwelijk een bron van onuitputtelijke inspiratie: hij is de zoon van een man die goed fout is geweest én van een vrouw op wie dit soort boeven het gemunt had.

Mulisch heeft zijn opmerkelijke achtergrond meer dan uitgebuit, want wie anders dan Harry Mulisch heeft het recht om over de oorlog te schrijven? Wie anders heeft goed en kwaad tegelijk in zijn genen? ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog’, beweerde hij ooit. Het is dan ook geen toeval dat hij de financiële bestseller en het definitieve jongensboek over WO II De Aanslag schreef.

Toeval bestaat trouwens volgens Mulisch niet. Alles hangt met elkaar samen, niets gebeurt zonder reden, lees De ontdekking van de hemel en zijn allesomvattend wijsgerige werk De compositie van de wereld er maar op na. Niet alleen van WO II maar zelfs van het hele universum heeft Harry zijn domein gemaakt.

Is het eigenaardig dat deze altijd opvallend gecoiffeerde, immer zorgvuldig geklede on-Nederlandse egotripper weerstand oproept? In Mulisch’ wereldbeeld kan dat geen toeval zijn. Harry hoeft maar een boek te publiceren of een mening over Fidel Castro te ventileren, of de intellectueeltjes van Propria Cures staan gereed zich te ontfermen over de ijdeltuit die nooit zijn middelbare school afmaakte, maar grossiert in Latijnse woorden en wiskundige formules en maar al te graag de filosoof uithangt.

Lees je Bestrijd het leed dat Mulisch heet, dan vergeet je bijna dat Mulisch niet voor niets wereldwijd als een groot auteur wordt gezien. Ik lees hem ook en moet dan - Mulisch zou het ook zo uitgedrukt hebben - net als de Argonauten tussen Scylla en Charybdis manoeuvreren, in mijn bewondering en mijn afkeer. Bericht aan de rattenkoning bijvoorbeeld heb ik lang geleden met plezier gelezen, de Procedure was best om door te komen, bij De verteller vertelt lag ik regelmatig dubbel van het lachen.

Maar het liefst zie ik Mulisch op teevee. Dat zo’n gelauwerd auteur zo weinig te zeggen heeft, denk ik verbaasd, als ik hem met pijp binnen handbereik hoor uitleggen hoe het al in elkaar steekt, of onzinnig met getallen hoor goochelen om ons, gewone mensen, iets uit te leggen. Dan denk ik aan Renate Rubinstein die al in 1957 in Propria Cures over hem schreef dat hij ‘beter schrijven dan denken kan – iets wat men zelden ziet’.

meer columns ...

volgende