Seventies in Nijmegen

Ik heb begrepen dat de Nijmeegse gemeenteraad binnenkort een besluit neemt over wat het imago van de stad moet worden. Wordt het De oudste stad van Nederland, City of health, Vierdaagsestad of Havanna aan de Waal?
Staan de raadsleden een beetje met beide benen op de grond, dan maakt City of health geen schijn van kans, want nog geen twee jaar geleden stierven patiënten bij bosjes na een hartoperatie in het lokale ziekenhuis.

Op de Vierdaagse zijn ze daar enorm trots, maar moet je het hebben van een sjokkende en zwetende meute die eindeloos ‘We zijn er bijna’ zingt? Komt er een passend imago als Havanna aan de Waal aangewaaid, dan lachen ze daar om, terwijl het toch iets zegt van de inborst van de katholieke stad die altijd in dogmatische varianten van een of ander geloof heeft geëxcelleerd. Immers, zijn ze in Nijmegen marxistisch, feministisch of groen, dan zijn ze het ook in extremis. Is het trouwens niet typerend voor een stad zónder identiteit om je kunstmatig een aanzien aan te moeten meten?

Toch heeft Nijmegen wel degelijk iets te bieden. Na bijna veertig jaar kaalslag is de Waalkade opgeknapt met een staatscasino en veel horeca, en na jaren is het centrum door toedoen van een Amsterdamse architect met een koopgoot opgeknapt. En dan is er het als kreajatief aangeduide linkse verleden van de jaren zeventig.

Het was leuk in die jaren, begrijp ik uit het boek 70’s in Nijmegen, tien krejatieve aksiejaren -mijn god, wat is dit soort quasi-gemakkelijke spelling toch lastig. Het waren jaren die ik, geboren en getogen Nijmegenaar, bewust heb meegemaakt. Ik herinner me nog heel goed hoe ik, op weg naar een receptie, in rokkostuum stond te kijken naar een van de eerste Vietnam-demonstraties, niet wetend dat ik enkele maanden later omgeturnd, zoals dat toen heette, zelf mee zou lopen om die vermaledijde Amerikanen op betere gedachten te brengen. Ook de bezetting van de Aula van de KU vond ik eventjes leuk, maar de alles-beter-wetende marxistische leiders wisten mij té precies hoe de wereld in elkaar stak. Daarom turnde ik maar snel om naar het hippiedom waar individualiteit wel op prijs werd gesteld, en spendeerde een hoop tijd aan het roken van erg lange sigaretten.

De tien krejatieve aksiejaren zijn dan ook grotendeels aan me voorbij gegaan. Voor mij geen flikkerkaffees, mannenpraatgroepen (bah), straattejater, Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland (KEN), pottengrot, socialistische evangelisatie in de arbeiderswijken of anale omgang met uitgetreden priesters. Gewoon flippen op de tijdgeest was al heavy genoeg. De in ribfluwelen Levy-pakken geklede grauwe wereldverbeteraars marcheerden ook wel zonder mij.

Wie het allemaal heeft meegemaakt, kan het nog eens herbeleven in het mooi vormgegeven boek 70’s in Nijmegen, tien kreajatieve aksiejaren. Of die jaren werkelijk zo creatief waren, valt te betwijfelen. In contrast met de duffe jaren vijftig waren ze dat in elk geval wel, maar de marxistisch-leninistische en maoïstische actievoerders vertegenwoordigden nou niet bepaald de verbeelding die aan de macht moest komen. Zelden zo’n stelletje rigide types meegemaakt. Het verhaal van de Nijmeegse literator Frans Kusters uit Het Chaplinconcours dat in de 70’s in Nijmegen is opgenomen, is wat dat betreft karakteristiek: elkaar bevechtende splintergroepjes die veel vergaderden over de linkse heilsleer.

Het waren die groepjes die Nijmegen het imago bezorgden waarmee de provinciestad landelijk bekend is geworden: rechtlijnige doordrammers die maar niet konden ophouden om universiteitsgebouwen te bezetten. Nog erger was het imago dat de Nijmeegse hoogleraar Dries van Agt de stad als minister bezorgde. Om hem een beetje bij de tijd te houden voelden feministen zich gedwongen de arme man met gebruikte maandverbanden te bekogelen en met zijn archaïsch taalgebruik solliciteerde hij naar een rol als burgemeester in de tv-serie Swiebertje. Arm Nijmegen.

Nee, ludiek waren ze in Nijmegen maar heel matig. Het waren uiteindelijk de kunstenaars, de rokers en de drinkers, en natuurlijk de dromers en de denkers die, zoals overal in ons land, werkelijk creatief waren. Maar in Nijmegen waren dat er te weinig om de stad een passend imago te geven.
Dichter/hoogleraar Anton van Duinkerken betitelde Nijmegen ooit als te zuidelijk om geen carnaval te kunnen vieren en te noordelijk om het wel te kunnen. Dat is Nijmegen ten voeten uit: tussen de wal en het schip … in alles.
[Verscheen ook als paginagroot artikel in De Gelderlander, 2008]

meer columns ...

volgende