Brothers in eyes

[Bij het overlijden van Han Beijersbergen]

Na een intensieve training van Han Beijersbergen stonden we wat te drinken in café Marktzicht in Nijmegen. Wat te drinken zeg ik? Ik stond in te nemen want ik had het een en ander weg te spoelen. Een beginnende depressie kondigde zich aan want Beijersbergen had het artikel dat ik voor de cursus wetenschapsjournalistiek had geschreven, zwaar bekritiseerd. Degenen die een training van hem hebben gevolgd weten wat dat betekent. Han was een ouderwetse pedagoog die het rietje nog pittig en zonder mededogen hanteerde. Hij kon ongezouten zeggen waarop het staat. Ik leefde daarom tussen hoop en vrees of een bestaan als schrijver er ooit in zou zitten of dat het beter zou zijn een consult aan te vragen bij de psychologen die huisden in de twaalf verdiepingen boven de begane grond waar wij cursus hadden. ‘Hier krijg je kritiek en als je daar niet tegen kunt, dan zitten hierboven de nodige deskundigen die je kunnen helpen’, placht hij ons lachend toe te voegen. De cursisten rilden.

In het café, omringd door enkele collega-cursisten, pepte ik mezelf op met Han’s opmerking uit een eerdere trainingssessie. Ik had een column over kunst geschreven en de eerste zin luidde: ‘In het café waar ik te veel kom, hangt een schilderij’. Han was er lyrisch over. Het ging om het woord 'te'. Dat tweeletterige woord, hield hij mijn medecursisten voor, is de subtiele nuance die de schrijver zich permitteert om buiten de orde van het onderwerp te treden; daardoor geeft hij tussen de regels door een miniem iets van zichzelf prijs. Ik kon het dus wel, praatte ik mezelf moed in.

Als ik jaren later Han nog ergens tegenkwam, vertelde hij aan de mensen met wie hij in gesprek was – Han stond nooit alleen, hij was altijd het middelpunt van veel orale reuring – dat die cursist daar, en hij wees dan nadrukkelijk naar mij, de volgende zin had geschreven. En hij citeerde mij luid zodat iedereen hem wel moest horen en hij vertelde erbij dat hij mijn beginzin nog altijd in zijn trainingen gebruikte. Ik lachte dan wat verlegen, maar was apetrots: de grote Beijersbergen zag me, ondanks dat ene matige artikel, nog steeds zitten.

Maar zover was het die avond in het café nog niet. Ik had de moeilijke opgave het komende weekend weer een artikel te schrijven en dat stipt om tien uur maandagochtend bij de heer Beijerbergen bij Pers & Voorlichting van de Radboud Universiteit in te leveren. De meester nam de getypte tekst – de pc was er nog niet - in hoogsteigen persoon in ontvangst. ‘Je bent laat, Paul. Toch geen haastwerk? Toch niet te veel dor hout of gebabbel in je stuk?’

Hoe meer we die middag dronken des te vaker galmden Han’s kreten door het café. ‘Dor hout’ kreeg de barman te horen, toen hij weer bier voor ons neerzette. ‘Geen gebabbel, jongelui’, antwoordde de bartender, een gesjeesde student Engels, die zich Han’s jargon snel had eigen gemaakt.

Jaren na de training – ik was inmiddels tekstschrijver en net als Han trainer - ontmoette ik hem in een boekhandel. Me nog altijd bewust van de meester-leerlingrelatie liet ik het initiatief aan hem om het gesprek te openen. Hij had er duidelijk behoefte aan, want hij had een probleem. Al tijdens de training was gebleken dat we brothers in eyes waren. We hadden dezelfde oogproblemen waarover we ons ernstig zorgen maakten. Wie Han kent, zal het niet verbazen dat zijn ogen veel problematischer waren dan de mijne. Vertelde ik dat ik op de fiets gestopt was voor een auto die er bij nader inzien niet was, dan snoefde Han dat hij heel Artis op de Oranjesingel had gezien. Hij stond nu op het punt een staaroperatie te ondergaan. ‘Is dat een vervelende ingreep?’ vroeg hij zonder de bravoure dat ik van hem gewend was.

Ik herinnerde me plotseling zijn vernietigende commentaar op mijn artikel, mijn aankomende depressie die een kater was geworden, de vele drank en het dorre hout dat we hadden gekapt. Pak ik hem terug voor die meedogenloze kritiek op mijn artikel? spookte door mijn hoofd. Neem ik wraak? Ik had de gewoonte om tegen mensen die ik mocht, te zeggen dat het wel meeviel, maar om tegen lui die ik niet zag zitten te vertellen dat het afschuwelijk is als iemand onder plaatselijke narcose in je oog begint te snijden. ‘Dat vlijmscherpe mesje zie je in de lampen schitteren, ondanks de verdoving’, placht ik dan te zeggen. ‘De narcose werkt trouwens ook niet voor honderd procent en alleen al die verdovingsprik in je oogzenuw is verrekte pijnlijk.’ Dat is trouwens ook de waarheid.

Ik keek Han aan, grijnsde eens en zei: ‘Och Han, het valt allemaal wel mee. Ik heb het ook overleefd.’



meer columns ...

volgende