Onder de rododendrons

‘Daar ligt Gerrit Achterberg begraven, helemaal verscholen onder de rododendrons.’ De opvallend vitale man van tachtig met wie ik een wandeling over de zandverstuivingen vlak bij de Dodeweg in Leusden maakte, wees in de verte naar een kerkhof en keek me daarna veelbetekenend aan. Duidden zijn woorden erop dat de beroemde dichter na zijn dood in 1962 langzaam maar zeker in de vergetelheid is geraakt?

Even daarvoor had de tachtigjarige mij op besliste toon verteld dat gisteren dood is en dat het alleen om het hier en nu gaat. Een opmerking die tot nadenken stemt, zeker als je je aan de Dodeweg, een uitgestorven parallelweg naast de drukke A28, drie dagen in een zogenoemd socratisch gesprek verdiept in het thema ‘bestaat er iets nieuws?’.
Is Gerrit Achterberg (1905-1962), met wie veel scholieren in mijn tijd door de bloemlezing Voorbij de laatste stad kennismaakten, zo vergeten dat zelfs zijn graf overwoekerd door struiken onzichtbaar is geworden?

Op begraafplaats Rusthof informeerde ik in een kaal en witgeverfd kamertje bij twee karakteristieke grafdelvers - sombere, donkerblauw geüniformeerde mannen met vlezige en door leed en jenever gezwollen en doorgroefde gezichten – die aan een eenvoudig tafeltje in alle rust hun boterhammen verorberden. Van ‘die dichter’ had een van hen ‘wel eens gehoord’ en iemand van de administratie van Rusthof wist mij later ook niet veel meer te vertellen, wat mijn vermoeden versterkte dat Achterberg de status moet ontberen van wijlen Jim Morrison, de zanger van popgroep The Doors wiens graf op het Parijse Père Lachaise nog altijd door hordes fans wordt bezocht. Met slechts ‘Hij moet daar ergens in een flauwe bocht liggen’ vond ik na lang zoeken honderden meters van de hoofdingang onder de rododendrons graf no. XXII-506.

‘Helemaal onder de rododendrons’ blijkt nogal mee te vallen. Het graf is door struiken omringd, ze torenen weliswaar hoog boven de zerk uit, maar van overwoekering is geen sprake. Integendeel zelfs: de plek maakt een verzorgde indruk. Tegenover het graf staat een stenen bankje waarop poëzieliefhebbers de vele eigenzinnig gekozen woorden van Gerrit Achterberg kunnen overdenken, maar niemand heeft de moeite genomen om bloemen of kaarsjes achter te laten, laat staan een briefje met ‘Gerrit, we love you’. Gelukkig maar, de grote dichter, die ook bekend werd omdat hij in 1937 zijn hospita vermoordde en daardoor jaren tbr kreeg, is niet helemaal vergeten. (Misschien ten overvloede: Achterberg komt voor in de Top 100 van dode Nederlandse en Vlaamse auteurs die het Letterkundig Museum door een tienkoppige commissie liet samenstellen.Of hij nog door middelbare scholieren voor de lijst gelezen wordt, kon ik niet achterhalen.)

Op het graf staat een kei waarop in bronzen letters - op advies van Harry Mulisch – het kwatrijn Grafschrift uit Achterbergs bundel Osmose is geplaatst.

Van dood in dood gegaan, totdat hij stierf.
De namen afgelegd, die hij verwierf.
Behoudens deze steen, waarop geschreven:
de dichter van het vers, dat niet bedierf.


Een vrolijk mens moet Achterberg niet geweest zijn. Zijn bibliografen noemen hem in zichzelf gekeerd, eenzaam, af en toe agressief en het mag dan ook geen wonder heten dat hij wegens ‘zielsziekte’ voor militaire dienst werd afgekeurd.

Al die typeringen heeft hij met zijn dood afgelegd, maar als je er net een dagen durend socratisch gesprek op hebt zitten, vraag je af of dat nu echt waar is. Net als die verzen die niet zouden bederven. De dood, ja, daar kun je zeker van zijn. Hoewel, er zijn er die geloven dat dan het einde nog niet bereikt is. Het blijft twijfelen.

Lees: Top 100 van dode Nederlandse en Vlaamse auteurs

meer columns ...

volgende