Over rechtlijnigen en genieters

Een van mijn grootste hobby’s is het ledigen der flessen, met in die flessen een alcoholische versnapering wel te verstaan. Daarvoor hoef ik mij niet te schamen, want overal in mijn omgeving, op de meest vreemde plaatsen en op ongewone tijdstippen, zie ik de medemens de fles geroutineerd en zonder enige tegenzin ontkurken dan wel ontkronen. Ik ben al jaren een liefhebber, die het dagelijkse leven, werk, drank, goed eten en de liefde met wisselend succes in evenwicht weet te houden. Zoals iedere Nederlander ben ik natuurlijk geen alcoholist, maar soms is het geen overbodige luxe een tekst van The Kinks te herinneren, de Engelse popgroep die al begin jaren zeventig op trage en indringende wijze zong Oh demon alcohol /Sad memories I cannot recall / Who thought I would say / Damn it all and blow it all / Oh demon alcohol / Memories I cannot recall / Who thought I would fall a slave to demon alcohol.

Het mag nog. Nog even denk ik, want de humorloze slijpscherpers van het dagelijkse bestaan die regering en parlement vandaag de dag bevolken, hebben een verbeten jacht op de menselijke geneugten ingezet. Tegelijk hebben ze hun zinnen erop gezet ons leven via medische en farmaceutische trucs zo lang mogelijk te verlengen. De sadisten.

Ze hebben nog succes ook. Wie had ooit gedacht dat de sigaret uit het straatbeeld zou verdwijnen? Dat rokers als paria’s bij de achteringang van hun kantoor of bij de rookpaal op het station aan hun trekken zouden moeten komen? Al decennia rook ik niet meer, maar zie ik ze staan, genietend in weer en wind, dan denk ik aan die fantastische jaren dat ik er soms een pakje shag per dag doorheen blies. Heerlijk om een trekje te nemen en het witgrijze rookwolkje vóór het inhaleren langzaam uit mijn geopende mond te laten ontsnappen om het dan, als het een centimeter of vijf voor mijn mond hing, krachtig naar binnen te zuigen, zodat teer en nicotine hun verwoestende werk konden doen.

Voorbij zijn die gelukzalige momenten, voorbij Humphrey Bogart, mijn grote rookvoorbeeld. Willem Frederik Hermans had het me al voorspeld: eens komt een eind aan dat genot, eens komt de laatste roker.

Maar bij de strijd van de klein begeesterden tegen alcohol, sigaret, hasj, sigaar, pijp, gokken en porno blijft het niet. ‘Te dik’, oordeelde de arts streng, nadat hij mijn bloeddruk had opgemeten. ‘Gras eten, joh, als de konijnen.’ ‘Gras?’ vroeg ik verbaasd. ‘Wat is dat?’

Dat is tegenwoordig niet zo’n eigenaardige vraag, ik hoef me er niet voor te schamen. Het gras in de tuin heb ik door grindtegels vervangen, de vogels, mollen en wormen heb ik zo verbannen, en koeien moet ik in de uiterwaarden missen, want melk koop ik in de supermarkt. Wat heb ik nog met de natuur te schaften?
Moet ik Michiel Korthals, hoogleraar voedselethiek aan de Wageningen Universiteit en schrijver van Voor het eten, geloven, dan is ook dat geen zonderlinge vraag. Volgens Korthals zijn we van ons voedsel vervreemd en zijn we niet meer op de hoogte waar ons voedsel vandaan komt.

Door zijn genuanceerde kijk op het probleem onderscheidt Korthals zich van de trutten die alles wat lekker is willen verbieden. Korthals verwijst ons eters niet streng naar het hooi, maar zoekt de oplossing in de kwaliteit van ons bestaan, in het goede leven. Wat ons eten betreft is volgens hem de moderne mens de ‘multifunctionele betekenis’ van het voedsel vergeten. Want door ons voedsel heeft ons lichaam contact met de natuur, onderhouden we sociale contacten en ontdekken we onze identiteit.

Michiel Korthals geeft een zetje in de goede richting. Toch vergeet hij iets: het esthetische aspect. Ik verheug me nu al op het komende weekend, wanneer ik in het café de obers handig zie balanceren met dienbladen die zij op vijf vingertoppen hoog boven de hoofden van de stamgasten hebben geheven en die volgeladen zijn met het wit, rood en rosé van de fonkelende wijnen en met kelken vol verrukkelijke, donkerrood gekleurde Belgische bieren. En dan moeten het drinken nog beginnen. Ik blijf genieten.

meer columns ...

volgende