Laat me (niet) alleen

De Franse auteur en arts Louis-Ferdinand Céline kon zijn patiënten meedogenloos en zelfs met de nodige afkeer beschrijven, terwijl hij ze in de praktijk toch met de nodige liefde behandelde. Aan hem moest ik altijd denken, als ik me voor een laserbehandeling bij de Polikliniek Oogheelkunde meldde. De wachtkamer zat dan vol patiënten. Althans, ik dacht dat het patiënten waren, maar als er een naam werd afgeroepen, dan stond niet alleen de betreffende persoon op, maar vaak een groepje van drie of vier mensen. Ongetwijfeld familie, buren of ander ongedefinieerd volk uit de peergroep van de patiënt, misschien wel wat mantelzorgers of een koppeltje alfahulpen. Tot mijn verbazing zag ik het groepje dan in zijn geheel in de behandelkamer verdwijnen om daar te zien hoe de patiënt zenuwachtig voor de hypermoderne laser plaats nam, hoe de verpleegkundige zijn hoofd in een stevige greep nam om ontsnappen onmogelijk te maken en hoe de oogarts, in een poging het netvlies met gecomprimeerd licht vast te branden, er met de laserstralen lustig op los ging schieten.

Om me te beschermen tegen het quasi-medische geleuter van de andere wachtenden had ik de gewoonte om in een hoekje van de wachtkamer te gaan zitten, zo ver mogelijk van mijn medeslachtoffers vandaan, en verschool me achter een krant of een boek. Ik wenste verschoond te blijven van slap lekengeklets in de trant van ‘De dokter zei nog….’ of ‘Ik heb van iemand gehoord dat….’, kortom van verhalen waarin het met de mens meestal slecht afloopt. Volgens Céline hebben mensen er soms plezier in om te wentelen in hun drek.

Denk nou niet dat ik niet van gezelschap houd. Toen ik een keer na een mislukte lasersessie in het ziekenhuis mocht blijven, was ik maar al te blij dat het halve stamcafé elke dag op bezoek kwam. Maar die lulden tenminste niet over ziektes of over een ver familielid dat na een oogoperatie voor altijd scheel was gebleven. Ze brachten drank mee, veel drank zelfs, en om ze nog eens terug te laten komen, liet ik ze die flessen snel openen. Alleen die student geneeskunde, die mij eigenlijk niet mocht en me eens met dreigend blik had toegevoegd dat, als hij later als arts mijn prostaat zou moeten toucheren, ik ervan zou lusten, vertelde weinig opwekkende verhalen over een bypass die bij een operatie per ongeluk was doorgeknipt, en over andere medische missers. Hij had wel een prachtige roman gelezen, vertelde hij vol vuur tegen mij die met een blinddoek in bed het lezen kon vergeten: Dood op krediet van Céline. ‘Eindelijk een arts die net als ik met gemengde gevoelens naar het zieke volkje kijkt.’

De titel van Renate Dorresteins boek Laat me niet alleen zou Céline de wenkbrauwen doen fronsen. Hoezo alleen, het leven is toch alleen, wat lul je nou meid? Hij zou nog meer verbaasd zijn, als hij ontdekte dat de titel van het boek de inhoud maar matig dekt. Het boek gaat namelijk over het thema van de Boekenweek 2008 Van oude menschen ... de derde leeftijd en de letteren waarin Dorrestein het heeft over het lot van de ouder wordende mens en het al dan niet accepteren van de ouderdom. En zoals een ouder wordend iemand betaamt, haalt Dorrestein graag dingen van vroeger op en schrijft ze over de toekomst die steeds korter en bedreigender wordt. Laat me niet alleen is een wanhoopskreet van een babyboomer. De jongeren zullen er schijt aan hebben, weet ze.

Maar dat zal me wat. Het lijkt me wel wat om, zoals bij sommige indianenstammen schijnt voor te komen, als oude man die de dood aan voelt komen, alleen de berg op te gaan om nooit meer terug te komen. Alleen hebben we hier geen bergen.



meer columns ...

volgende