Het leven als kunstwerk

Als u mij binnenkort aandachtig speurend met de neusgaten wijd geopend door de straten ziet gaan, weet dan dat ik een nieuwe dimensie van het leven beproef. Wat is het geval? Door mijn toenemende drang om maar vooral niets van het leven te missen meldde ik mij onlangs bij een KNO-arts met het verzoek te onderzoeken waarom ik mijn levenlang zo goed als niets heb kunnen ruiken. 'Shit' roepen mijn metgezellen als we door Amsterdam lopen en zij van tientallen meters afstand al een coffeeshop ruiken. 'Shit', denk ik dan, 'die geur ken ik niet.' Dat een scheet stinkt, heb ik van horen zeggen. Dus laat er gerust een als ik in de buurt ben. Wat voor wereld zou er na een neusoperatie voor me opengaan?

Het activeren van mijn neusholtes om voor gasvormige, chemische prikkels, ook wel geuren genoemd, ontvankelijk te zijn, is ook ge´nspireerd door de oproep van filosoof Joep Dohmen om van je leven een kunstwerk te maken. De theorie beschrijft hij in Het leven als kunstwerk dat hij schreef voor de Maand van de Filosofie. Ik ben al een stap verder en zet mijn reukorgaan in om die kunst te beoefenen.

In Het leven als kunstwerk memoreert Dohmen het onbehagen in de moderne cultuur. Zowel links als rechts fronst tegenwoordig de wenkbrauwen bij de hufterigheid die de hedendaagse mens binnenskamers en in de publieke ruimte maar al te vaak tentoonspreidt. Terug naar de waarden van de jaren vijftig lost volgens Dohmen niets op; dat zou een teken van creatieve en intellectuele armoede zijn. In navolging van onder meer de Franse wijsgeer Michel Foucault stelt hij daarom voor van ieders leven een persoonlijk kunstwerk te maken.

Dohmen heeft vele voorgangers die zich aan een dergelijke exercitie hebben gewaagd. Al in de jaren zeventig, in de hoogtijdagen van het ik-tijdperk waarin het allemaal met het zo vermaledijde dikke-ik begon, zette psycholoog en kunstenaar Henk Jurriaans zichzelf in het Amsterdamse Stedelijk Museum te kijk. Hij liet zijn opgeblazen ego daar een aantal dagen door de meesmuilende meute en vooral door zijn vele vriendinnen adoreren.

Voor Dohmen behelst de levenskunst wat meer dan dit soort egotripperij. Begrijp ik Dohmen en de vakgenoten die hij in zijn boek citeert, goed, dan zal er gewerkt moeten worden. Levenskunst is een continue arbeid die pas eindigt als de laatste adem uitgeblazen is. Het is een ambacht, waarbij deugden als concentratie, discipline, geduld en toewijding onontbeerlijk zijn. En natuurlijk een ontwikkelde neus om bij de zoektocht het juiste spoor te volgen.

De levenskunstenaar zoals wij die tegenwoordig kennen, is allesbehalve de ware: die legt te veel de nadruk op het zelf maken van keuzes. 'De huidige neoliberale moraal van zelfbeschikking leidt tot gruwelijke zelfoverschatting, oppervlakkige relaties en tal van verkeerde levenshoudingen', vindt Dohmen die zich haast op te merken dat we belangrijke verworvenheden van de moderniteit, zoals de unieke waarde van het individu, in ere moeten houden.

Wat stelt de nieuwe cultuur van het zelf die Dohmen voor ogen staat voor? Hij vergelijkt die met jazzimprovisaties waarin musici hun spel op elkaar afstemmen. Dat vraagt om een cultuur van zelfreflectie die ons leert waarom we bijvoorbeeld onze neus achternalopen, dat vereist voortdurend inspelen op de mensen om ons heen. Nogal vaag natuurlijk en daarom citeert Dohmen graag Albert Camus: 'Het valt niet mee om te worden wie je bent'.

Dohmen worstelt 219 pagina's lang met het begrip levenskunst en hij komt er niet echt uit. Dat kan ook niet anders. Er is geen kant-en-klaar recept dat ons voorhoudt hoe we ons leven moeten inrichten. Maar zoals we het nu doen, klopt het volgens Dohmen van geen kant: te veel narcisme, te weinig authenticiteit en te veel quasikeuzevrijheid. Kritisch luisteren naar je innerlijke stem die ieder mens bezit, is het begin om een authentiek kunstwerk met een eigen stijl te worden. Je moet er een goede neus voor hebben.



meer columns ...

volgende