Boerka's op het naturistenterrein

Heerlijk, dat warme lenteweer. Frisse blaadjes aan de bomen, ontluikende bloemen. Mensen zitten gemakkelijker in hun vel en koesteren zich behaaglijk in de zon, de kleding wordt tot een minimum beperkt. De vrouw tegenover me op het caféterras voelt zich wel bij het mooie weer en rekt zich onder het slaken van een langgerekte zachte kreet behaaglijk uit, haar blote armen heft ze daarbij ten hemel. Haar oksels heeft ze geschoren, zie ik, de kwabben van haar forse bovenarmen lillen bij elke beweging. Ik wend mijn blik af. 'Geeft u mij maar een glaasje oude jenever en laat dat ijs met slagroom maar zitten,' roep ik naar de passerende ober. Uit ervaring weet ik dat een stevig alcoholrijk drankje een goede remedie is om de smaak in mijn mond terug te krijgen. Misschien kan een borrel ook lelijke indrukken uit het geheugen wissen.

De moddervette vrouw is niet de enige die haar vleesmassa's open en bloot laat zien. Ook mannen doen lustig met de hedendaagse smakeloosheid mee. Neem onze Volendamse volkszanger Little John Black Smith. Hij had er geen enkele moeite mee om zich op tv met ontbloot bovenlijf te tonen waarbij hij zonder enige gêne zijn vettige borstjes opzichtig liet kwabbelen. T-shirt aantrekken, kwijlebal, en rap naar de fitness!

Ook ik moet af en toe tot de orde geroepen worden. Toen ik een zomerbroek had gekocht waarvan de pijpen tot halverwege mijn kuiten reikten, schudden mijn huisgenoten meewarig hun hoofd en vroegen of ik gegroeid was of een broek van heel vroeger had aangetrokken. Mijn verweer dat zo'n broekje bij warm weer lekker luchtig zit, werd meesmuilend weggewuifd. Mij zie je nooit meer in zo'n driekwart geval. De medeman moet daaraan maar een voorbeeld nemen. Het straatbeeld is niet gebaat bij harige witte kuiten vol spataderen onder een slobberige nepknickerbocker en blote voeten met slippers waaruit maar al te vaak jubeltenen met wit uitgeslagen kalknagels steken. Toen ik eens op een naturistencamping verbleef en het geheel had overzien, kon ik het niet nalaten de beheerder te vragen of het niet beter zou zijn boerka's uit te delen.

Informalisering heet het nieuwe boek van socioloog Cas Wouters. Wouters komt uit de veelgeprezen Amsterdamse School - waartoe ook P.C. Hooftprijswinnaar Abram de Swaan behoort - die voortbouwt op het gedachtegoed van Norbert Elias. In Het civilisatieproces constateert Elias dat we in de voorbije eeuwen steeds beschaafder zijn geworden, wat met een toenemende beheersing van ons gedrag gepaard is gegaan.

In het voetspoor van zijn leermeester deed Wouters onderzoek naar manieren en emoties. Onderzocht Elias de vijftiende tot de negentiende eeuw, Wouters beperkt zich tot de periode vanaf 1890. Hij zocht met Nederlandse, Duitse, Engelse en Amerikaanse etikettenboeken als onderzoeksbronnen naar codes die voor een land of periode typerend zijn, vergeleek de onderzochte landen en trok conclusies.

Omgangsvormen zeggen iets over hoe mensen met elkaar omgaan en over hun autonomie. De toenemende informalisering van omgangsvormen die Wouters waarneemt, brengt hij in verband met andere tendensen als grotere afhankelijkheid, meer sociale integratie, verminderde machtsverschillen en afnemende sociale en psychische afstand.

Maar de informalisering vraagt tegelijk om zelfregulering. Van mij bijvoorbeeld wordt verwacht dat ik mezelf in de spiegel monster vóór ik gekleed in een mouwloos T-shirt ga mountainbiken. Is mijn vel nog soepel als dat van een jonge god (jazeker!) of zal het bij het afdalen van een steile helling als vergeeld perkament klapperen in de wind? Zelfregulering is vaak confronterend. Mijn collega's in het peloton zullen me dankbaar zijn.

Cas Wouters (2008). Informalisering, manieren en emoties sinds 1890. Uitgeverij Bert Bakker.

meer columns ...

volgende