Voor de muziek uit

De man die op zondag 22 juni op een Gazelle langzaam door de dorpsstraat achter de fanfare aan fietste, was ik. De man die zich daar erg opgelaten bij voelde, was ik ook. Ik zag mezelf als zo'n geestelijk uitgeblust type dat op een dromerige zondagmiddag achter de muziek aan gaat, omdat er in het ingeslapen dorp niets anders te doen is. Het gezelschap van blazers, trommelaars en vaandeldragers marcheerde tergend langzaam, breed uitgewaaierd over de straat. Er was voor mij geen doorkomen aan. De in het wit en rood geŘniformeerde muzikanten vormden een fel contrast met het grauw van de zonder enige fantasie ingerichte winkelstraat, met het grijze straatmeubilair van fietsenrekken en afvalbakken, en de standaarduithangborden van de landelijke winkelketens. De bejaarde man die naast me, dik ingepakt, in zijn scootmobiel met het harmonieorkest meereed in het gezapige tempo dat zo'n elektrische driewieler eigen is, vergrootte mijn gevoel van onbehagen alleen maar. Had ik die middag mijn toekomst gezien?

Tot overmaat van ramp hief de tambour-maţtre plotseling zijn stok ten teken dat het gezelschap pas op de plaats moest maken. Ze gingen kennelijk iets leuks doen, want de kapelmeester lachte uitbundig en wees met zijn stok naar een huis waaruit de bewoners, ook al lachend, zich uit de ramen bogen om vooral maar niets van het schouwspel te missen. Waarschijnlijk een aubade voor een eerste communie, voor een honderdjarige of voor de nieuwbakken schutterskoning en zijn familie. Voordat de muzikanten 'op de plaats rust' te horen kregen, voerden ze nog een koddig tafereeltje op door stilstaand hun benen te blijven bewegen alsof ze gewoon doorliepen. Dat 'lopen' hield niet op, toen ze netjes hun tambour-maţtre nadeden door langzaam een kwartslag naar rechts te draaien, zodat ze oog in oog kwamen te staan met degenen die ze gingen toespelen. Dat heb ik niet meer meegemaakt, want een smal steegje bood me een vluchtweg en opgelucht fietste ik snel weg uit de benauwende omgeving die het leven in een dorp kan zijn.

Als dorpsbewoner blijft het vechten om de verte niet uit het oog te verliezen. Neem nou die lui van boekhandel Polman uit Bemmel. Die weten als geen ander dat bijna alle zegen van buiten komt. Hun winkel ligt er vol mee. De boeken worden uit Culemborg door het Centraal Boekhuis aangevoerd, de auteurs die ze verkopen, komen maar zelden uit de regio, de bezoekers van de winkel die uit hun mond naar vis stinken, hebben een haring uit een verre zee verorberd en de Senseo-koffie die in de boekhandel wordt geserveerd, komt uit een apparaat dat door een Rotterdammer is ontworpen. Bijna niets komt nog uit het plaatsje zelf, zelfs de columnisten van hun nieuwsbrief komen van elders en trouwe gast Jaap is uit de States ge´mporteerd om de couleur locale wat op te frissen.

Hun nieuwste literaire product is ook al van vreemde makelij. Sinds kort is in de boekhandel een aantal pakketten met een roman en een dvd met de verfilming van dat boek te koop. Il Gattopar-do van de auteur met de on-Bemmelse naam Giuseppe Tomasi di Lampedusa met de dvd van Luchino Visconti is de eerste in een reeks van negen die NRC Handelsblad uitbrengt. Die Blechtrommel is de tweede. In Die Blechtrommel houdt Oskarchen, die maar niet ouder dan drie jaar wil worden, niet op het kleinburgerlijke Danzig van vˇˇr en tijdens het nationaalsocialisme wakker te trommelen. Zo spaart de boekhandel kosten noch moeite om de allesbehalve cosmopolitische Betuwe bij de beschaving te houden. Zou er dan toch muziek in het plattelandsleven zitten?

(column verschijnt ook in de nieuwsbrief van Boekhandel Polman, Bemmel)

meer columns ...

volgende