Ja, er is handel na de dood

Als u denkt dat de zomervakantie een interbellum vol rust en genot is waarin u van de meer serieuze kanten des levens gevrijwaard bent, dan zal ik u uit uw mooie maar valse droom verlossen. Want zoals in het gedicht De tuinman en de dood van P.N. van Eyck de gaardenier voor het naderende einde precies naar de plaats vlucht waar de vlijmscherpe zeis moet toeslaan, zo werd ik tijdens de vakantiebarbecue door een uitvaartadviseur benaderd. 'Ben je van plan om dood te gaan?' vroeg mijn dochter lichtelijk spottend, terwijl ze me de telefoon overhandigde. 'Iemand wil over je begrafenis praten.'

De man aan de andere kant van de lijn stelde zich voor als uitvaartadviseur en sprak me dringend en quasibezorgd toe. 'Of ik er al over nagedacht had wat ik op mijn begrafenis ging doen?' 'Nou', antwoordde ik, nadat ik van de schrik bekomen was, 'ik denk erover om dan zelf aanwezig te zijn.' De man liet zich niet uit het veld slaan: 'Heeft u ook al over de kosten van de begrafenis gedacht? Weet u wat het tegenwoordig kost om een ruimte te huren en alle bezoekers een drankje en wat te eten aan te bieden?' Ik voelde me kwaad worden. Dat privé, soms schaamteloos, steeds frequenter openbaar wordt, is al stuitend genoeg, maar om gedwongen te worden om met een wildvreemde over iets intiems als mijn overlijden te praten, gaat me te ver. Ik besloot deze lijkenpikker nieuwe stijl af te poeieren. 'Het zal een paar stuivers kosten, maar die mogen mijn nabestaanden betalen. Ik ben trouwens verzekerd, dus dat zit wel goed. Bel me als u zelf de pijp uitgaat. Doei.'

De begrafenisverzekering die ik ooit heb afgesloten, was al een fors compromis met mezelf. Als flinke jongen die ik vroeger was (en nog steeds ben, trouwens) spotte ik met het leven en de dood. Wat kon mij overkomen? Bovendien had een schorre Amerikaan die pretendeerde te kunnen zingen, mijn generatie voorgehouden dat we 'forever young' waren. Nee, ik hoefde me nergens zorgen over te maken. Mijn kameraden deden dat ook niet, dacht ik.

De schellen vielen echter van mijn ogen, toen ik tijdens het biljarten in het café een spottende opmerking maakte over mensen die al op betrekkelijk jonge leeftijd een begrafenisverzekering hadden afgesloten. 'Wie doet dat nou?' 'Ik', riep iemand aan de bar, 'Ik heb er ook een', riep een biljarter. 'Heb jij er ook een?' vroeg ik aan de kunstenaar die kort daarvoor van een verfijnde smaak getuigd had door mij te vragen voor hem te poseren. 'Tuurlijk', antwoordde hij zonder enige schaamte. Mijn ontgoocheling was groot: mijn vrienden hadden heimelijk hun jeugdige onbezonnenheid al vroeg verraden. Hun bravoure was slechts schijn, ze hadden altijd al het zekere voor het onzekere genomen.

Jaren later heb ik ook maar zo'n verzekering afgesloten om te voorkomen dat familie en/of bekenden uit financiële overwegingen mijn stoffelijke resten 's nachts heimelijk bij het grof vuil zouden dumpen. Want zou ik straks wel op ze kunnen bouwen? Wie op jonge leeftijd bang voor drijfzand is, zal later er al helemaal op uit zijn de schaapjes op het droge te houden. Misschien zijn het van die types geworden die solliciteren op de vacature die ik op internet zag staan: 'Enthousiaste uitvaartadviseur voor de buitendienst gevraagd'.

Kijk ik op boekbalie.nl dan zie ik dat ook voor de boekwinkel de dood gouden handel is. De afgelopen jaren verschenen nogal wat boeken met het weinig originele maar niets verhullende vierletterwoord. Maar dat is inspirerende en schone handel. Het volgende gedicht van Vasalis draag ik dan ook graag op aan de nietsontziende, ordinaire poendelvers van de uitvaartbranche.

Sub Finem

En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten -
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen - en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.


meer columns ...

volgende