In de geest van Martin Bril (1959-2009)

Waarom de chauffeur het oranje zwaailicht op de cabine van de Volkswagen-bestel heeft aangezet, is onduidelijk. In het uitgestorven parkje van de buitenwijk waar de dienstauto van de gemeente door niets en niemand gehinderd zich voorzichtig over het fietspad manoeuvreert, kunnen zich hooguit de kwetterende vogels en de loerende blauwe reiger aan het felgele gevaarte storen. De auto is te breed voor het pad, zodat de banden naast het asfalt een spoor door het natte gras trekken. Doelbewust koerst de bestelwagen naar een boom waaraan een touw met aan het uiteinde, zo'n tachtig centimeter boven de grond, een autoband is vastgeknoopt.

Het dikke, een beetje rafelige touw is twee dagen daarvoor na veel geklauter door enkele jongens op ongeveer vier meter hoogte aan de tak vastgemaakt. Sindsdien is de plek onder de boom een verzamelplaats van de jongere jeugd in de buurt. Ouders houden een oogje in het zeil en vaders vullen het uurtje tussen werk en avondeten door met zichtbaar plezier te duwen tegen de oude autoband waarin hun kroost is gaan zitten. Een zelfgemaakte schommel van hergebruikte materialen, zoals vroeger gewoon was, voordat er in elke wijk een speelplaatsje met wipkippen en zo werd aangelegd.

Twee mannen stappen uit de gemeenteauto, gooien het portier dicht en kijken naar de boom. Zo te zien weten ze waarvoor ze komen. De chauffeur, een man van middelbare leeftijd met een buikje en grijs wordend kort haar, aanschouwt met zijn handen in de zij de situatie en wijst vervolgens naar de tak. Zijn collega, een twintiger die een losgeknoopt fluoriderend oranje veiligheidshesje draagt, knikt en pakt uit de open laadbak van de auto een meterslange stok die aan het einde een beetje krom uitloopt. De jongen klimt op de laadbak die voor minstens een kwart door een lage zilverkleurige kist in beslag genomen wordt. Zwijgend kijkt zijn superieur toe, geeft wat aanwijzingen waarna hij verveeld om zich heen kijkt.

De man op de laadbak haalt de beschermhoes van het eind van de stok en ontbloot zo een enigszins gebogen dertig centimeterlange zaag. Met gestrekte armen en met zijn hoofd in de nek begint hij het touw bij de tak door te zagen. Na een seconde of tien krachtig zagen vallen touw en autoband met een plof in het gras. Achteloos gooit de chauffeur de rommel in de laadbak en geeft zijn collega de hoes van de zaag. Terwijl de chauffeur alvast achter het stuur gaat zitten, legt de jongen snel zijn gereedschap in de laadbak. De zwaailichten gaan aan en als zijn maatje is ingestapt, rijdt hij stapvoets in de eerste versnelling over het fietspad het parkje uit. De linkerelleboog van de chauffeur rust ontspannen op het geopende raam van het portier.

De klus is geklaard, de orde hersteld. Het touw kan de boom niet meer beschadigen, de kinderen lopen geen gevaar zich aan de ruwe schors te bezeren en prinses Irene kan tevreden zijn: de tak is verlost van de pijn die het schurende touw bij het schommelen veroorzaakte.

meer columns ...

volgende