Vrolijke bespiegelingen over de tijdgeest

Is de grauwheid van de februariochtend niet te harden, waaien de maartse buien tot ver in april elke gedachte aan de lente ruw uit mijn hoofd, dan grijp ik graag in de boekenkast naar een werk van Gerrit Komrij, naar een bundel met essays wel te verstaan. Onze eerste Dichter des Vaderlands, die ons met zijn karakteristieke, krakend stemgeluid tot luisteren dwingt, heeft naast pozie, vertalingen en enkele romans honderden columns en tientallen essays op zijn naam staan. Zijn kritiek is altijd vermakelijk en meestal meedogenloos. H h, denk ik dan, er is gelukkig nog iemand die verder kijkt dan de lulligheid van alledag.

Vooral de moderniteit en de met alle winden meewaaiende mens moeten het in zijn beschouwingen ontgelden. Titels van boeken met gebundelde essay's als Lood en hagel, Pek en zwavel en Met het bloed dat drukinkt heet spreken voor zich. Ik sla zomaar een pagina in Dit helse moeras op: 'Gifstortingen, straatrellen en kabinetsfor-maties behoren tot de onverkwikkelijkste aangelegenheden van onze samenleving. Ze hebben met elkaar de opdringerigheid van hun ongure elementen gemeen.' [] 'Kabinetsformaties zijn het ergst. Een gifbelt schaadt neus en volksgezondheid, een opstootje kwetst oor, oog en rechtsgevoel, maar een kabinetsformatie is een belediging voor de volksgezondheid, het rechtsgevoel, het talent, de duidelijkheid en het verantwoordelijkheidsbesef tegelijk.'

In bloemrijke taal, met een overvloed aan woorden en niet wars van herhalingen doet Komrij als een ware nar zijn niet mis te verstane mening uit de doeken. Dit helse moeras kocht ik op 22 november1988 en schreef toen op de titelpagina aan mijn nog niet geboren nazaat: 'Voor het kleintje, moge het een kritische geest worden.' Hetgeen geschiede.

De recente publicatie Morgen heten we allemaal Ali, vrolijke bespiegelingen over de tijdgeest is een verzameling van eerder verschenen maar herziene lezingen en nooit uitgegeven essays, onder andere over het boek ('de bibliotheek is het enige weermiddel tegen het redeloze beest'), componist Richard Wagner en natuurlijk over pozie, want Komrij is niet alleen zelf dichter, maar heeft ook enkele bloemlezingen van de Nederlandse pozie uitgebracht.

Zoals ik zei, het is niet alleen de humane kommer en kwel waarover Komrij het heeft. Over de polemiek in ons land bijvoorbeeld schrijft hij, vanzelfsprekend in relativerende stijl, opmerkelijk lovend. 'Het vermogen om te spellen mag dan achteruit zijn gegaan, de levendigheid van het taalgebruik zeker niet. Op meer plaatsen zijn meer mensen opgedoken die duidelijk en soms briljant schrijven wat ze denken.' Komrij juicht dat toe, want 'De polemist speelt de rol van fanaticus om andermans fanatisme bloot te leggen'. Zie hier de drijfveer en het motto van Komrij.

Komrij is op z'n best als hij zich opwindt over de tijdgeest. Morgen heten we allemaal Ali begint met het essay Het verraad van mijn generatie, een tirade over de generatie 'van provo en verbeelding, van Hitweek en Gandalf, van nieuwe muziek en beeldtaal, de generatie die geuzenwoorden maakte van 'marginaal', 'protest' en 'antiautoritair', de generatie van het verruimde seksualiteitsbegrip'.

Allemaal verraders, volgens Gerrit Komrij. 'Het leek zo mooi, als je ze op hun twintigste moest geloven. Met een hamer en een paar schroeven zouden ze z het paradijs in elkaar zetten.' De lange mars door de instituties eindigde voortijdig op het pluche van de gevestigde orde, waar de babyboomers hun idealen verkwanselden door in politiek, literatuur, sociaal gedrag en economie 'schijn versus wezen' handig te laten versmelten en daar gewetenloos een slaatje uit te slaan. 'De ontwikkeling van treurbuis tot terreurbuis is exemplarisch voor het verraad en het verraderlijk nasudderen van mijn generatie.' Het kanaal van de permanente educatie hebben ze aan de kermisbazen 'versjacherd'.

Komrij is genadeloos, wat best acceptabel is, want met zijn scherpe pen houdt hij niet alleen ons een spiegel voor, maar deinst hij er ook niet voor terug zichzelf onder de loep te nemen, zoals blijkt uit zijn gedicht Duikvlucht (Uit: Rook zonder vuur):

Er hangt een hoge spiegel in de gang.
Vooruit, ik kijk me zelf nog maar eens aan
En voor het monster dat ik daar zie staan

Ben ik - voorspelbaar - elke dag weer bang.


meer columns ...

volgende