Vertrouwen: een filosofisch groepsgesprek in het gevang

‘Vertrouwen is er altijd’ was mijn stelling voor een groep van ongeveer vijftien mannelijke gedetineerden. Een uitdagend statement, want, zo vertelde de medewerkster van het Humanistisch Verbond die mij uitgenodigd had het gesprek te leiden, deze mensen hebben zo hun twijfels bij dat begrip. Te veel meegemaakt, te vaak gepakt, bedonderd of verlinkt, en - dat zeggen ze liever niet - zelf anderen te weinig vertrouwen geschonken: ze bekijken de medemens met argwaan. (‘Vertrouwen jullie mij? vroeg ik. ‘Helemaal niet’, riepen ze zonder aarzeling.) Toch wilden ze graag een uur over het thema praten, en ze bleven ook een vol uur in gesprek. Een uur is kort, te kort voor een socratische gesprek volgens de regels der kunst – wat die ook mogen zijn – maar lang genoeg om enkele aspecten van het socratisch gesprek te gebruiken en het filosofisch te houden.

Socratisch gehalte
De richtinggevende vraag, de zogenoemde uitgangsvraag, had ik, gezien de tijd, vervangen door een stelling met als doel direct de knuppel in het hoenderhok te gooien: vertrouwen is er altijd. Een experiment, eens kijken hoe dat zou uitpakken. Aan de dialoog, een essentieel aspect van het socratisch gesprek, valt voor mij niet te tornen. Reageren de deelnemers niet op elkaar, weigeren ze te luisteren en slaan ze maar wat kreten uit (‘Ik wantrouw iedereen’), dan wordt aan een belangrijk onderdeel het socratisch gesprek geweld aan gedaan. Met een dialoog probeer je samen het thema uit te diepen en met behulp van argumenten verder te komen. Meer inzicht moet dat opleveren, en als het even kan, meer vragen dan daarvoor.

Het voorbeeld, dat bij een socratisch gesprek uit het leven van de deelnemers zelf gegrepen moet zijn, blijft een nobel streven bij deze doelgroep, vooral omdat het wantrouwen diep zit en de gedetineerden elkaar bij allerlei activiteiten in het gevang niet kunnen ontlopen. Er zijn vaste interacties ontstaan, pesterijen en etiketteringen. Je bloot geven is dan dikwijls niet aan te raden. ‘Hou je mond ouwe, er zit niet voor niets niemand naast je’, kreeg een wat oudere gedetineerde te horen. Je zult er maar zitten, in de gevangenis, en dan is het in Nederland nog heel christelijk. Door de ervaring wijs geworden, is mijn minimale doelstelling een dialoog aan te sturen, misschien is afdwingen eerder het juiste woord.

Mijn rol
Dat brengt me op mijn rol als gespreksleider. Hoever moet mijn sturing gaan: moet ik duidelijk aanwezig zijn, moet ik de vragen stellen, is de situatie ernaar om door te vragen, in hoeverre laat ik dat aan de groep over, hoe roep ik ergerlijke types tot de orde? (‘Jij komt hier alleen maar aapjes kijken, kun je buiten interessant doen!’) Net als in een klas met lastige pubers is het regelmatig nodig de orde te handhaven. (Na de eerste twee gesprekken die ik in de inrichting voerde, kwam ik met keelpijn van het harde praten thuis.)

Over mijn rol tijdens de laatste bijeenkomst over vertrouwen ben ik redelijk tevreden. Ik pas de socratische methode minder rigide toe en pas me aan de situatie aan, maar ik houd me strikt aan de uitgangsvraag waarnaar ik regelmatig verwijs. De dialoog stimuleer ik door de deelnemers op elkaar te laten reageren. (‘Wat zei hij, waarom ben je het niet met hem eens?’) Ook de zwijgers probeer ik bij het gesprek te betrekken, ook al gaat dat vaak ten koste van het doorvragen. Ik stimuleer ze zoveel mogelijk om te praten - als ze dat weigeren respecteer ik dat -, per slot van rekening ben ik er niet voor weer-eens-wat-anders dan tafeltennissen en een relaxte ochtend (‘Van de hele dag op cel zitten word ik helemaal gestoord’) en mag er van de deelnemers iets meer worden verwacht dan het consumeren van gratis koffie en gevulde koeken die de geestelijk verzorger van het Humanistisch Verbond klaar heeft gezet. Ze zijn er vrijwillig, toch? Ik spreek ‘mijn jongens’ ook niet meer met ‘u’ aan, zoals bij de eerste twee bijeenkomsten: dat schept te veel afstand, vertelde de humaniste me. (ik dacht eerst dat dat juist van respect getuigde.)

Elke groep vereist een specifieke aanpak. Dat is het geval bij kinderen, jongvolwassenen, filosofische cafés met vrije inloop en zeker bij gedetineerden. De gemakkelijkste mensen zijn die intellectueeltjes die dikwijls de filosofische cafés bevolken. Ze hebben er minder moeite mee zich te uiten en komen vrij gemakkelijk met een persoonlijke casus. Elenchus (afbraak van iemands vooringenomenheid) en vervolgens de maieutiek (gezamenlijk langzaam groeien naar een nieuw en beter besef) komen bij deze categorie deelnemers betrekkelijk gemakkelijk tot hun recht. Ze zijn minder kwetsbaar en gaan na het gesprek ieder hun eigen weg. Gedetineerden kunnen daarvan alleen maar dromen. (Wat doen we deze mensen eigenlijk aan door ze hun vrijheid te ontnemen?)

Het gesprek
Terug naar het gesprek. Nadat ik mijn stelling over vertrouwen had geponeerd, was er weinig nodig om het gesprek op gang te brengen. Zoals te verwachten was, voerden de cynici de boventoon. ‘Ik vertrouw alleen mijn familie blindelings’, vertelde een dertiger die, zoals ik uit zijn verhaal opmaakte, wegens oplichting en heling vastzit. (‘Leg jij je Rolex daar in de venterbank, dan is die voor mij’, vertelde hij met veel bravour.) Het woord blindelings was een mooie aanleiding hem te vragen wat hij daarmee bedoelde. ‘Is er verschil tussen vertrouwen en blindelings vertrouwen?’

Het hele gesprek speel ik Socrates die anderen ondervraagt over wat ze beweren, niet alleen over de bewering als zodanig, maar ook over markante woorden uit een uitspraak, zoals in dit geval over blindelings. Bij blindelings vertrouwen blijkt het bij hem te gaan over naaste familie, broers, zussen, neven en nichten, de rest kun je niet vertrouwen. De echtgenote neemt een bijzondere positie in. Tot hilariteit van enkele deelnemers uit de goedgebekte handelaar enige twijfel over haar trouw tijdens zijn detentie. ‘Ze is in verwachting. Is de baby wel van mij? Daar vertrouw ik maar op.’
Anderen denken zo het hunne over vertrouwen. Het gemakkelijkst probeert een man van middelbare leeftijd zich ervan af te maken door keer op keer te roepen dat hij iedereen wantrouwt: ‘Dat is mijn ervaring, ik loop al wat jaren mee.’ Door naar een voorbeeld te vragen probeer ik hem uit te dagen zijn standpunt te verduidelijken en zo het begrip vertrouwen te concretiseren. Hij blijft in gebreke. Dan vraag ik of hij een arts wel vertrouwt. ‘Nee’, antwoordt hij. ‘Wantrouw je iedere deskundige?’ ‘Ja’, zegt hij, 'lees jij de krant dan niet?' Ik geloof niets van wat hij beweert. (Volgens mij kun je zonder vertrouwen niet leven; vandaar ook mijn stelling.) ‘Controleer je ook elke aspirine die je inneemt?’ De anderen moeten hem vertellen wat een aspirine is. Hij blijft bij zijn standpunt, maar volgens mij twijfelt hij.

Dan gaat het snel en dreigt er chaos. Dat gebeurt elke keer als ik het gesprek aan de groep zelf overlaat en er zelf niet bovenop zit. Verschillende mensen gaan dan door elkaar roepen of gaan luidruchtig met hun buurman in gesprek, wat in elk geval erop duidt dat het onderwerp ze aan het denken zet. ‘Hou het centraal’, roep ik keer op keer. Met een vraag probeer ik de orde te herstellen. Iemand zegt dat het ook om zelfvertrouwen gaat. Die opmerking pak ik direct op. ‘Wat vinden jullie, kun je jezelf vertrouwen? Jammer dat mijn vraag weinig resultaat oplevert. Hun aandacht verslapt. Ik vraag me af of een groepsgesprek van een uur voor deze groep niet te lang is. 'Volgende keer moeten we een stuk of vier onderwerpen bespreken', merkt een gedetineerde na afloop op. 'Met één onderwerp zijn we gauw klaar, toch?'

Verrassende wending
Na drie kwartier praten zijn drie aspecten van het begrip vertrouwen die ik bij de voorbereiding genoteerd had, aan de orde gekomen, weliswaar te oppervlakkig, maar toch: vertrouwen in de ander, in jezelf en vertrouwen in de kennis van deskundigen.
Tot mijn verrassing krijgt het gesprek plotseling een andere wending. Een ex-marinier (23 jaar bij de marine, vooral op Curaçao) die jaren wegens drugsmokkel moet zitten, vertelt dat hij als militair geleerd heeft blindelings op zijn kameraden te vertrouwen. ‘Anders kun je de goede afloop van een militaire operatie wel vergeten.’ Vertrouwen is voor hem, in die speciale situatie, geen kwestie waarover je in discussie gaat, het is noodzaak om te overleven.

Een prachtige opmerking die het begrip een nieuwe dimensie geeft, want de vraag dient zich aan of je vertrouwen kunt leren of kunt afdwingen. En of de situatie van invloed is. Ik vraag de groep wat ze van de ervaring van de marinier vinden. De antwoorden zijn divers: de een blijft bij zijn eerder ingenomen standpunt, een ander ziet wel wat in de opmerking van de marinier. Ik bespeur twijfel: je kunt niet ontkennen dat de marinier iets te berde heeft gebracht.

Het uur is voorbij, ik rond het gesprek af met de vraag wat ze nu vinden van mijn stelling: vertrouwen is er altijd. Hun antwoorden gaan verloren in het rumoer dat de binnentredende cipier veroorzaakt. Vriendelijk doch dringend wordt de gedetineerden verzocht als groep naar het cellencomplex te vertrekken, zoals vooraf afgesproken. Druk napratend verlaten ze het vertrek - het onderwerp heeft kennelijk het nodige losgemaakt -, een enkeling kijkt snel of er nog een vulkoek in de doos is. De meesten geven mij een hand en bedanken me voor het gesprek.

meer columns ...

volgende